Beleggen in private equity en niet-beursgenoteerde bedrijven
Private equity is beleggen in bedrijven zonder beursnotering. De categorie is de afgelopen jaren aanzienlijk toegankelijker geworden voor particulieren: waar een toezegging van enkele miljoenen lange tijd de norm was, kunt u via evergreenfondsen inmiddels instappen vanaf enkele tienduizenden euro's. Toegankelijker betekent niet vanzelf passend. Uw geld zit jaren vast, de kostenlagen stapelen zich op en het verschil tussen de beste en de slechtste beheerder is in deze categorie vele malen groter dan bij beursgenoteerde aandelenfondsen. Hieronder leest u welke toegangswegen er zijn, wat u werkelijk betaalt, waaraan u zich verbindt, hoe de fiscale behandeling uitpakt en voor wie private equity wel en niet geschikt is.

Wat is private equity?
Private equity is eigen vermogen dat wordt verstrekt aan ondernemingen die niet aan een effectenbeurs zijn genoteerd. Het is geen product en geen fondssoort, maar een beleggingscategorie: de private tegenhanger van beleggen in beursgenoteerde aandelen. De aandelen worden niet dagelijks verhandeld, er is geen doorlopende koersvorming en de informatievoorziening verloopt via de beheerder in plaats van via verplichte beursberichtgeving.
Verreweg de meeste ondernemingen ter wereld zijn niet beursgenoteerd. Volgens de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP) werkten in 2024 ongeveer 750.000 mensen bij een Nederlands bedrijf met een private-equity- of venturecapitalpartij als aandeelhouder. Het gaat daarbij overwegend om middelgrote ondernemingen: over 2023 betrof ongeveer zeventig procent van de Nederlandse buy-outs minder dan € 25 miljoen aan eigen vermogen per transactie.
Hoe werkt een private-equityfonds?
Een private-equityfonds kent twee partijen. De beheerder, in de sector de general partner of GP genoemd, selecteert de ondernemingen, onderhandelt over de aankoop en stuurt de bedrijven aan. De beleggers, de limited partners of LP's, brengen het kapitaal in. Institutionele partijen als pensioenfondsen en verzekeraars vormen traditioneel het grootste deel van die beleggersgroep.
Bij een klassiek fonds zegt u een bedrag toe. Dat bedrag wordt niet in één keer gestort. De beheerder vraagt het gespreid op zodra hij een overname doet, doorgaans over een investeringsperiode van vier tot zes jaar. Daarna volgt een beheerfase waarin de portefeuillebedrijven worden ontwikkeld, en vervolgens een exitfase waarin ze worden verkocht en de opbrengst aan u wordt uitgekeerd. De totale looptijd bedraagt gewoonlijk tien jaar, met de mogelijkheid tot verlenging.
De beheerder legt zelf ook geld in. Dit zogenoemde GP-commitment ligt vaak tussen 1 en 5 procent van het fondsvermogen en is bedoeld om de belangen gelijk te richten.
Beleggen in niet-beursgenoteerde bedrijven tegenover beursgenoteerde aandelen
De verschillen zijn ingrijpender dan alleen de afwezigheid van een beursnotering.
Kenmerk | Beursgenoteerde aandelen | Private equity |
Verhandelbaarheid | Dagelijks | Vrijwel niet, of alleen op vaste momenten |
Koersvorming | Continu, door de markt | Per kwartaal, op basis van een waarderingsmodel |
Zeggenschap beheerder | Minderheidsbelang, beperkte invloed | Vaak meerderheidsbelang en bestuurszetel |
Informatievoorziening | Wettelijk verplicht en openbaar | Contractueel geregeld, niet openbaar |
Kosten | 0,05 tot 0,50% bij indexfondsen | 1,5 tot 3% per jaar plus winstdeling |
Beleggingshorizon | Vrij te kiezen | Tien jaar of langer, contractueel vastgelegd |
Instapmoment | Zelf te bepalen | Bepaald door de fondsbeheerder |
Het belangrijkste praktische verschil is dat u bij beursgenoteerde aandelen op elk moment kunt uitstappen tegen een prijs die de markt bepaalt, en bij private equity niet. Die beperking is geen weeffout maar de kern van het model: doordat de beheerder niet gedwongen kan worden te verkopen, kan hij een herstructurering afmaken die op de beurs door aandeelhoudersdruk zou zijn afgebroken.
Waar komt het rendement van private equity vandaan?
Het rendement komt uit drie bronnen, en het is nuttig te weten welke bron in een bepaald fonds domineert.
De eerste is operationele verbetering: omzetgroei, margeverbetering, professionalisering van de bedrijfsvoering, aankopen van kleinere spelers in dezelfde markt. Dit is de bron waarop beheerders zich in hun presentaties het liefst beroepen.
De tweede is multiple-expansie: het bedrijf wordt verkocht tegen een hogere winstmultiple dan waartegen het is gekocht. Dit hangt sterk samen met het marktklimaat en het moment van aan- en verkoop, en dus in belangrijke mate met geluk.
De derde is leverage. Een overname wordt deels met vreemd vermogen gefinancierd, waardoor het rendement op het ingelegde eigen vermogen wordt uitvergroot. Dat werkt beide kanten op: bij tegenvallende resultaten versnelt de schuldenlast het verlies.
De verhouding tussen deze drie bronnen verschuift met de rentestand. In de periode van zeer lage rente droegen leverage en multiple-expansie relatief veel bij. Sinds de rente is gestegen, ligt het accent nadrukkelijker op operationele verbetering. Wie een fonds beoordeelt, doet er goed aan te vragen hoe het historische rendement over deze drie bronnen was verdeeld.
Welke vormen van private equity zijn er?
De term private equity wordt als verzamelnaam gebruikt voor strategieën die in risico, looptijd en rendementsverdeling sterk uiteenlopen. Het onderscheid is voor u als belegger belangrijker dan het gemeenschappelijke etiket.
Buy-outs
Bij een buy-out koopt het fonds een meerderheidsbelang in een volwassen, winstgevende onderneming, vaak met gedeeltelijke financiering met vreemd vermogen. Dit is qua kapitaal het grootste segment en het segment dat de meeste particuliere producten vult. De verliezen zijn hier doorgaans beperkter dan bij de andere strategieën, doordat het om bestaande kasstromen gaat.
Binnen buy-outs is de omvang bepalend voor het risicoprofiel. Small-cap en mid-market fondsen kopen ondernemingen met een waarde tot enkele honderden miljoenen; large-cap fondsen richten zich op transacties van meerdere miljarden. Nederland is relatief sterk vertegenwoordigd in de mid-market.
Groeikapitaal
Groeikapitaal gaat naar bedrijven die de startfase voorbij zijn en kapitaal nodig hebben om op te schalen. Het fonds neemt vaker een minderheidsbelang, en er wordt doorgaans weinig of geen vreemd vermogen gebruikt. Het risico ligt tussen buy-out en venture capital in.
De Nederlandse groeikapitaalmarkt staat onder druk. Volgens de NVP-marktcijfers over 2025 daalde de fondsenwerving voor groeikapitaal naar € 32 miljoen, een historisch dieptepunt, terwijl buy-outfondsen in datzelfde jaar een recordbedrag van € 6,9 miljard ophaalden.
Venture capital
Venture capital investeert in jonge ondernemingen met een onbewezen bedrijfsmodel. Het rendement volgt hier een machtsverdeling: een klein aantal zeer succesvolle deelnemingen moet het verlies op de rest compenseren. Faillissementen zijn onderdeel van het model, niet de uitzondering.
Venture capital kent de grootste spreiding in uitkomsten van alle private-marktstrategieën. Het verschil tussen het bovenste en het onderste kwartiel is in deze categorie aanzienlijk groter dan bij buy-outs. Zonder toegang tot bewezen beheerders neemt de kans toe dat het rendement rond of onder de mediaan uitkomt. Vooraf is bovendien moeilijk vast te stellen welke beheerder in het bovenste kwartiel zal eindigen.
In Nederland ontvingen in 2025 volgens de NVP 411 startups gezamenlijk € 1,18 miljard aan venture capital, het vierde jaar op rij boven de miljard.
Secondaries
Secondariesfondsen kopen bestaande belangen in private-equityfondsen over van beleggers die eerder willen uitstappen. Voor u als belegger heeft dit twee praktische voordelen. De onderliggende portefeuille is al zichtbaar, waardoor u minder in het onbekende stapt, en het kapitaal wordt sneller opgevraagd en sneller uitgekeerd, waardoor de aanloopfase korter is.
Daar staat tegenover dat het rendement doorgaans lager uitvalt dan bij een geslaagd primair fonds en dat u een extra kostenlaag betaalt.
De secondarymarkt is de afgelopen jaren sterk gegroeid, mede doordat traditionele verkopen stokken. In het recordjaar 2025 werd het transactievolume geraamd op ongeveer 240 miljard dollar.
Turnaround en distressed investing
Deze strategie richt zich op ondernemingen in financiële moeilijkheden, die tegen een lage prijs worden overgenomen en gesaneerd. Het rendementspotentieel is hoog, het risico op volledig verlies eveneens. De uitkomst hangt sterk af van de operationele en juridische capaciteiten van de beheerder. Voor particuliere beleggers is deze strategie zelden rechtstreeks toegankelijk en zelden passend.
Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?
Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?
Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.
Voor wie is beleggen in private equity interessant?
Private equity is in de basis geschikt voor beleggers die drie dingen tegelijk kunnen: een deel van hun vermogen tien jaar of langer missen, een aanzienlijke waarderingsonzekerheid accepteren, en genoeg vermogen inzetten om over meerdere beheerders en meerdere jaargangen te spreiden.
De doelgroep bestaat in de praktijk uit drie groepen. Ondernemers en directeur-grootaandeelhouders die na een bedrijfsoverdracht over vrij belegbaar vermogen beschikken en de categorie vanuit hun eigen loopbaan begrijpen. Vermogende particulieren met een portefeuille waarin een illiquide component het totaal niet in gevaar brengt. En beleggers met een expliciet lange horizon, zoals wie belegt voor de volgende generatie.
Aan welke voorwaarden moet uw financiële situatie voldoen?
Voordat de vraag naar rendement aan de orde komt, gelden enkele randvoorwaarden.
U beschikt over een buffer voor onvoorziene uitgaven die volledig buiten de private-equitybelegging staat. U heeft geen concrete bestemming voor dit geld binnen tien jaar: geen aflossing, geen schenking, geen aankoop van een woning. U kunt aan toekomstige kapitaalopvragingen voldoen zonder daarvoor andere beleggingen te moeten verkopen op een ongelegen moment. Uw overige vermogen is voldoende gespreid, zodat een tegenvallende private-equitybelegging geen gevolgen heeft voor uw bestedingspatroon. En u kunt het volledige ingelegde bedrag missen zonder dat uw financiële planning omvalt.
Voldoet u niet aan een van deze voorwaarden, dan is de vervolgvraag over de juiste beheerder niet relevant.
Voor wie is private equity niet geschikt?
Private equity is niet passend wanneer u binnen tien jaar over het geld wilt kunnen beschikken. Uitstappen is bij een gesloten fonds niet mogelijk en bij een evergreenfonds alleen onder voorwaarden die juist in ongunstige marktomstandigheden worden aangescherpt.
De categorie is evenmin passend wanneer uw vrij belegbaar vermogen te klein is om over meerdere beheerders en jaargangen te spreiden. Eén fonds in één jaargang is geen positie in private equity maar een weddenschap op één beheerder in één marktklimaat.
Ook wanneer u waarderingsonzekerheid slecht verdraagt, is de categorie ongeschikt. U ontvangt per kwartaal een waarde die berekend is met een model, niet vastgesteld door een markt. Die waarde kan bij verkoop aanzienlijk afwijken.
Tot slot is private equity zelden passend voor wie al een groot deel van zijn vermogen in illiquide vorm aanhoudt: een eigen onderneming, verhuurd vastgoed, een deelneming in het bedrijf van een familielid. Wie zijn onderneming heeft verkocht en de opbrengst in private equity steekt, ruilt het ene concentratierisico in voor het andere.
Hoe kunt u als particulier in private equity beleggen?
Rechtstreeks deelnemen in een institutioneel private-equityfonds is voor de meeste particulieren niet mogelijk: de minimuminleg loopt daar op tot enkele miljoenen. Er zijn wel zes routes die in de praktijk openstaan, met sterk uiteenlopende drempels en voorwaarden.
Beursgenoteerde participatiemaatschappijen en listed private equity
U koopt aandelen in een beursgenoteerde onderneming die zelf in niet-beursgenoteerde bedrijven belegt, of in een fonds dat een mandje van zulke ondernemingen aanhoudt. Er zijn ook indexfondsen die deze categorie volgen.
Het voordeel is dat u dagelijks kunt handelen, geen kapitaalopvragingen heeft en met een klein bedrag kunt beginnen. Het nadeel is dat u beursvolatiliteit terugkrijgt: de koers beweegt mee met de aandelenmarkt en kan langdurig onder de intrinsieke waarde noteren. Wie private equity opneemt om de correlatie met de beurs te verlagen, bereikt langs deze route het tegenovergestelde.
Evergreenfondsen en ELTIF's
Dit is de route die de toegankelijkheid van de categorie de afgelopen jaren daadwerkelijk heeft veranderd. Een evergreenfonds heeft geen vaste einddatum, is doorlopend belegd en kent geen kapitaalopvragingen: u stort uw inleg in één keer en bent direct volledig belegd.
Het Europese kader hiervoor is de ELTIF, de European Long-Term Investment Fund. De herziene ELTIF-verordening, ELTIF 2.0, trad op 10 januari 2024 in werking en schrapte onder meer de vaste minimuminleg van € 10.000 en de verplichte gesloten structuur. Het effect is zichtbaar: het aantal aan beleggers aangeboden ELTIF's steeg van 21 in 2023 naar 49 in 2024 en 87 in 2025, aldus onderzoek van Preqin en BlackRock. In 2025 werden wereldwijd 123 evergreenfondsen gelanceerd, een record.
Let goed op de uitstapvoorwaarden. Die lopen per fonds sterk uiteen en zijn onderling slecht vergelijkbaar. Afhankelijk van het fonds kan sprake zijn van een lock-up waarin u niet kunt uitstappen, een voorafgaande opzegtermijn, periodieke handelsmomenten, uitstapkosten en een maximum aan de totale terugkoopverzoeken per periode. Wordt dat maximum bereikt, dan worden verzoeken naar rato toegewezen of geweigerd. Dat dit geen theoretisch scenario is, bleek in 2025, toen een Europees evergreen-ELTIF de terugbetalingen daadwerkelijk moest beperken.
Private markets binnen vermogensbeheer of private banking
Banken en vermogensbeheerders nemen private markets steeds vaker op als onderdeel van een beheerportefeuille. De drempels dalen daarbij snel. ING gaf in januari 2026 aan dat klanten met ten minste € 200.000 in vermogensbeheer kunnen instappen in een gespreid private-marketsfonds, met een minimale instap van € 25.000 per klant, waar in 2023 nog € 2,5 miljoen belegd vermogen vereist was. ABN AMRO opende in 2026 de toegang tot evergreens voor particulieren vanaf ongeveer € 1 miljoen belegbaar vermogen.
Het voordeel van deze route is dat de selectie en de administratie u uit handen worden genomen en dat de allocatie in verhouding tot uw totale portefeuille wordt bepaald. Het nadeel is dat u een extra kostenlaag betaalt en dat u afhankelijk bent van de fondsen die uw beheerder toevallig aanbiedt. Vergelijk daarom niet alleen de rendementen van vermogensbeheerders, maar ook of en hoe zij private markets invullen.
Traditionele gesloten private-equityfondsen
Dit is de institutionele vorm: u zegt een bedrag toe, het kapitaal wordt gespreid opgevraagd, de looptijd bedraagt circa tien jaar en tussentijds uitstappen is alleen mogelijk door uw belang op de secondarymarkt te verkopen, vaak met een korting.
Voor particulieren beginnen deze fondsen doorgaans bij een toezegging van ongeveer € 100.000 tot € 250.000, soms via een tussenpersoon. Rond die eerste grens spelen verschillende toezichtregimes een rol; zie hieronder bij de selectie van een aanbieder.
Feederfondsen en dakfondsen
Een feederfonds bundelt kleinere beleggers zodat zij gezamenlijk aan de minimuminleg van één institutioneel fonds voldoen. Een dakfonds, ook wel fund-of-funds, belegt in meerdere onderliggende fondsen tegelijk.
Het voordeel van een dakfonds is echte spreiding: over beheerders, strategieën, sectoren en jaargangen. Voor wie met een beperkt bedrag in de categorie wil beleggen, is dat een wezenlijk voordeel. Het nadeel is de kostenstapeling. U betaalt de kosten van de onderliggende fondsen én die van het dakfonds daarbovenop, en beide lagen kennen vaak een winstdeling.
Directe participaties in één onderneming
U koopt rechtstreeks een belang in één niet-beursgenoteerd bedrijf, bijvoorbeeld via een informal-investorsnetwerk of het netwerk van uw accountant. Dit is de meest risicovolle vorm: geen spreiding, geen professioneel toezicht op de waardering, en de uitkomst hangt volledig af van één onderneming.
Bij een belang van vijf procent of meer krijgt u bovendien te maken met box 2 in plaats van box 3, met andere fiscale gevolgen. Zie de fiscale paragraaf hieronder.
De toegangswegen vergeleken
Toegang en liquiditeit:
Route | Gebruikelijke minimuminleg | Looptijd | Liquiditeit | Kapitaalopvragingen |
Beursgenoteerde participatiemaatschappijen | Vanaf enkele honderden euro's | Zelf te bepalen | Dagelijks | Nee |
Evergreenfondsen en ELTIF's | € 10.000 tot € 25.000 | Onbepaald | Periodiek, voorwaarden verschillen sterk per fonds | Nee |
Private markets via vermogensbeheer | € 25.000, bij een portefeuille vanaf circa € 200.000 | Afhankelijk van het onderliggende fonds | Beperkt, volgt het onderliggende fonds | Soms |
Traditionele gesloten fondsen | € 100.000 tot € 250.000 | Circa tien jaar, verlengbaar | Vrijwel geen, alleen via secondarymarkt | Ja |
Feeder- en dakfondsen | € 50.000 tot € 100.000 | Circa tien tot twaalf jaar | Vrijwel geen | Ja |
Directe participaties | Sterk wisselend | Onbepaald | Geen | Soms |
Spreiding, kosten en waardering:
Route | Spreiding | Kostenlagen | Waarderingsfrequentie | Past bij |
Beursgenoteerde participatiemaatschappijen | Redelijk tot goed | Eén | Doorlopend, beurskoers | Beleggers die verhandelbaarheid boven correlatievoordeel stellen |
Evergreenfondsen en ELTIF's | Goed, vaak multi-manager | Eén tot twee | Maandelijks of per kwartaal | Beleggers die zonder kapitaalopvragingen willen instappen |
Private markets via vermogensbeheer | Goed | Twee tot drie | Per kwartaal | Beleggers die selectie en administratie uitbesteden |
Traditionele gesloten fondsen | Beperkt, één beheerder | Eén | Per kwartaal | Vermogende beleggers die over meerdere fondsen kunnen spreiden |
Feeder- en dakfondsen | Zeer goed bij dakfondsen | Twee tot drie | Per kwartaal | Beleggers die met één belegging brede spreiding zoeken |
Directe participaties | Geen | Geen fondslaag, wel transactiekosten | Incidenteel of niet | Ondernemers met kennis van de betreffende markt |
Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?
Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?
Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.
Wat kost beleggen in private equity?
Kosten zijn bij private equity geen detail maar een hoofdbestanddeel van het eindresultaat. Het verschil tussen bruto- en nettorendement bedraagt bij een traditioneel fonds al snel een vijfde tot een kwart van de gerealiseerde winst.
Beheervergoeding, hurdle rate en carried interest
De klassieke structuur heet twee-en-twintig: een beheervergoeding van 2 procent per jaar en een winstdeling van 20 procent. Twee punten daarbij verdienen aandacht.
Ten eerste de grondslag van de beheervergoeding. Wordt die berekend over het toegezegde kapitaal of over het daadwerkelijk geïnvesteerde kapitaal? Over toegezegd kapitaal is voor de beheerder gunstiger en voor u ongunstiger: u betaalt dan ook over geld dat nog niet aan het werk is. Bij veel fondsen geldt in de investeringsperiode het toegezegde bedrag en daarna het resterende geïnvesteerde bedrag.
Ten tweede de winstdeling, de carried interest. Deze wordt pas uitgekeerd nadat u uw volledige inleg terug heeft plus een minimumrendement, de hurdle rate, die gewoonlijk rond 8 procent per jaar ligt. Let daarbij op de catch-up: in veel fondsvoorwaarden ontvangt de beheerder, zodra de hurdle is gehaald, eerst een groot deel of het geheel van de daaropvolgende winst tot hij alsnog op zijn volledige 20 procent van de totale winst uitkomt. De hurdle is dan geen drempel maar een vertragingsmechanisme.
Bij evergreenfondsen ligt de kostenstructuur doorgaans lager. Uit analyse van Morningstar blijkt dat een typisch evergreen ELTIF jaarlijks ongeveer 10 procent van het rendement boven een hurdle rate incasseert, waarbij die hurdle meestal statisch is en tussen 5 en 8 procent ligt. Een statische hurdle beloont de beheerder ook wanneer de bredere markt hetzelfde of beter presteert; een aan een benchmark gekoppelde hurdle doet dat niet.
Controleer verder of er een clawback is opgenomen. Die verplicht de beheerder eerder ontvangen winstdeling terug te betalen wanneer latere verliezen het totaalresultaat drukken.
Overige kosten binnen het fonds
Naast de beheervergoeding en de winstdeling drukken nog enkele posten op het resultaat: oprichtings- en structureringskosten, kosten van de bewaarder, accountant en administrateur, juridische en due-diligencekosten van transacties die uiteindelijk niet doorgaan, en vergoedingen die de beheerder in rekening brengt bij de portefeuillebedrijven zelf. Vraag of die laatste vergoedingen worden verrekend met de beheervergoeding, en zo ja voor welk percentage.
Kostenstapeling bij feeder- en dakfondsconstructies
Elke tussenlaag voegt kosten toe. Bij een dakfonds betaalt u de kosten van de onderliggende fondsen plus die van het dakfonds, vaak inclusief een tweede winstdeling. Bij een feederfonds komt daar de vergoeding van de aanbiedende partij bovenop. Belegt u via een beheerportefeuille, dan betaalt u daarnaast de beheervergoeding van uw vermogensbeheerder over de waarde van de positie.
Vier lagen zijn geen uitzondering: het onderliggende fonds, het dakfonds, de distributeur en uw eigen beheerder. Bij elke laag is de vraag of de spreiding of selectie die de laag toevoegt, de kosten waard is.
Van brutorendement naar nettorendement
Onderstaand rekenvoorbeeld is vereenvoudigd en dient uitsluitend ter illustratie van de kostenwerking.
Uitgangspunt: een toezegging van € 100.000 in een traditioneel gesloten fonds met een looptijd van tien jaar, een beheervergoeding die over de gehele looptijd neerkomt op gemiddeld 1,7 procent per jaar, een hurdle rate van 8 procent en een winstdeling van 20 procent. Het fonds realiseert een brutowaarde van 2,2 maal de inleg.
Dit vereenvoudigde voorbeeld veronderstelt dat de winstdeling door toepassing van een volledige catch-up uiteindelijk neerkomt op 20 procent van de winst na fonds- en beheerkosten. Het is geen volledige hurdle- of IRR-berekening. Daarvoor zijn de timing en de omvang van alle kapitaalopvragingen en uitkeringen nodig.
Post | Bedrag |
Toezegging | € 100.000 |
Brutowaarde bij verkoop van de portefeuille | € 220.000 |
Beheervergoeding, cumulatief over tien jaar | -/- € 17.000 |
Fonds-, transactie- en structureringskosten | -/- € 5.000 |
Winst boven de inleg na kosten | € 98.000 |
Carried interest, 20 procent | -/- € 19.600 |
Netto-uitkering aan u | € 178.400 |
Nettomultiple | 1,78 maal de inleg |
Van een brutomultiple van 2,2 blijft een nettomultiple van ongeveer 1,78 over. In dit vereenvoudigde voorbeeld bedragen de totale kosten en winstdeling € 41.600. Dat is 18,9 procent van de bruto-opbrengst en 34,7 procent van de brutowinst vóór kosten.
Twee nuanceringen. Doordat kapitaal gespreid wordt opgevraagd en tussentijds al wordt uitgekeerd, ligt de gerapporteerde IRR bij dezelfde multiple in de praktijk hoger dan wat u op basis van dit voorbeeld zou berekenen. En elke extra kostenlaag drukt het nettoresultaat verder, waarbij het effect afhangt van de grondslag van de vergoeding, de timing van opvragingen en uitkeringen en de looptijd van het fonds. Dat is precies de reden om de vraag te stellen hoeveel lagen er in uw constructie zitten.
Liquiditeit: waaraan verbindt u zich?
Illiquiditeit is bij private equity geen bijkomend risico maar de kern van de afspraak. U geeft de beschikbaarheid van uw geld op in ruil voor een rendementsopslag die er niet gegarandeerd is. Wie de mechaniek niet kent, loopt tegen problemen aan op het moment dat het slecht uitkomt.
Toezeggingen en kapitaalopvragingen
Een capital call, in het Nederlands een kapitaalopvraging, is het verzoek van de fondsbeheerder om een deel van uw toezegging daadwerkelijk over te maken. U stort dus niet bij aanvang het volledige bedrag, maar telkens een deel, zodra de beheerder een overname doet. Zegt u € 100.000 toe, dan kan dat in de praktijk neerkomen op vijf tot tien stortingen van wisselende omvang, verspreid over vier tot zes jaar. Een opvraging kondigt zich kort van tevoren aan, doorgaans met een termijn van tien tot vijftien werkdagen, en u kunt niet weigeren: de toezegging is een juridisch afdwingbare verplichting.
Dit betekent dat het toegezegde bedrag beschikbaar moet blijven, ook wanneer het jarenlang niet wordt opgevraagd. Dat geld op een spaarrekening laten staan kost rendement; het beleggen in aandelen betekent dat u mogelijk moet verkopen op een moment waarop de koersen laag staan. Deze zogenoemde cash drag is een reële, vaak onderschatte kostenpost.
Kapitaalopvragingen horen niet automatisch bij beleggen in private equity. Of u ermee te maken krijgt, hangt volledig af van de route waarlangs u instapt.
Route | Kapitaalopvragingen |
Beursgenoteerde participatiemaatschappijen | Nee, u koopt aandelen en betaalt direct |
Evergreenfondsen en ELTIF's | Nee, u stort in één keer en bent direct volledig belegd |
Private markets via vermogensbeheer | Afhankelijk van het onderliggende fonds; bij evergreenconstructies niet |
Traditionele gesloten fondsen | Ja, gespreid over de investeringsperiode |
Feeder- en dakfondsen | Ja, doorgaans volgend op de opvragingen van de onderliggende fondsen |
Directe participaties | Soms, afhankelijk van de afspraken met de onderneming |
Juist het ontbreken van kapitaalopvragingen verklaart waarom evergreenfondsen de toegankelijkheid van deze categorie hebben veranderd. Daar staat tegenover dat u er direct volledig belegd bent en dus geen spreiding over instapmomenten opbouwt, terwijl bij een gesloten fonds de gespreide opvraging die spreiding vanzelf meebrengt.
De J-curve
In de eerste jaren van een gesloten fonds staat het resultaat onder nul. De kosten lopen vanaf dag één, de bedrijven zijn nog niet ontwikkeld en er is nog niets verkocht. Pas na drie tot vijf jaar komt het rendement doorgaans boven de streep, waarna het richting het einde van de looptijd zijn piek bereikt. Dit patroon heet de J-curve.
Praktisch betekent dit dat u de eerste jaren een negatief rendement op uw afschriften ziet zonder dat er iets mis is. Wie daar onrustig van wordt, moet zich afvragen of de categorie bij hem past.
Terugkoopvensters en uitstapbeperkingen bij evergreenfondsen
Evergreenfondsen wekken de indruk van verhandelbaarheid, maar die is voorwaardelijk. Afhankelijk van het fonds kan sprake zijn van een lock-up, een voorafgaande opzegtermijn, periodieke handelsmomenten, uitstapkosten en een maximum aan de totale terugkoopverzoeken per periode. Neem deze voorwaarden per fonds door; zij lopen sterk uiteen en laten zich moeilijk onderling vergelijken.
Dat maximum, de gate, is de kritieke bepaling. Zolang het rustig is, wordt hij niet geraakt. Zodra veel beleggers tegelijk willen uitstappen, wordt hij wel geraakt en krijgt u slechts een deel van uw verzoek toegewezen, precies op het moment dat u het geld nodig heeft.
De Autoriteit Financiële Markten wees hier in Trendzicht 2026 nadrukkelijk op: bij open-end fondsen die illiquide activa combineren met de mogelijkheid tot regelmatige uitstroom, dreigt een liquiditeitsmismatch die in stresssituaties kan leiden tot opschorting, gating of gedwongen waardeaanpassingen. In april 2026 waarschuwde de AFM in vergelijkbare bewoordingen over de private-creditmarkt.
Tussentijds verkopen via de secondarymarkt
Bij een gesloten fonds kunt u uw belang overdragen aan een secondarykoper. Dit vergt in de regel toestemming van de beheerder, kost tijd en gaat vaak gepaard met een korting op de laatst gerapporteerde waarde. De prijs hangt sterk af van het fonds, de jaargang, de kwaliteit van de portefeuille, de resterende verplichtingen en de marktomstandigheden. In 2025 lag de gemiddelde prijs voor beleggersportefeuilles volgens Jefferies rond 87 procent van de gerapporteerde waarde en voor buy-outportefeuilles rond 92 procent; jongere of gewilde fondsen kunnen rond die waarde of met een premie worden verkocht.
Reken er niet op dat deze route u uit de problemen helpt. Beschouw hem als een noodklep, niet als een uitstapmogelijkheid.
Overlijden, echtscheiding en onverwachte liquiditeitsbehoeften
Dit onderdeel wordt in verkoopdocumentatie zelden behandeld en is voor uw nabestaanden van groot belang.
Een illiquide private-equitybelegging kan ook bij overlijden tot problemen leiden. De participatie en eventuele resterende verplichtingen gaan over op de nalatenschap. Voor overlijdens vanaf 2026 moet de aangifte erfbelasting in beginsel binnen twintig maanden na de overlijdensdatum worden ingediend. De verschuldigde belasting moet na ontvangst van de aanslag uit liquide middelen kunnen worden voldaan, terwijl de fondspositie mogelijk niet verkoopbaar is. Bij een echtscheiding moet een niet-verhandelbaar belang worden gewaardeerd en verdeeld, wat in de praktijk tot langdurige discussie leidt.
Bespreek dit vooraf met uw notaris of adviseur, en zorg dat uw erfgenamen weten dat de verplichting bestaat en waar de fondsdocumentatie ligt.
Wat gebeurt er wanneer u niet aan een capital call kunt voldoen?
Dit is de zwaarste sanctie in de fondsvoorwaarden en de reden om ruim te rekenen. Wie in gebreke blijft, wordt aangemerkt als defaulting investor. De gevolgen verschillen per fonds, maar lopen doorgaans op van boeterente en het verlies van toekomstige uitkeringsrechten tot gedwongen verkoop van uw belang aan de overige beleggers tegen een sterk verlaagde waarde, of in het uiterste geval verval van het reeds gestorte kapitaal.
Lees deze bepaling voordat u tekent, en houd uw toezegging zo laag dat u er in redelijkerwijs slechte scenario's nog steeds aan kunt voldoen. Belegt u via een evergreenfonds of via een beursgenoteerde participatiemaatschappij, dan speelt dit risico niet: daar bestaat geen toezegging die later kan worden opgevraagd.
Wat zijn de risico's van private equity?
Concentratie- en verliesrisico
Een private-equityfonds houdt doorgaans tien tot dertig deelnemingen aan. Dat is aanzienlijk minder spreiding dan een wereldwijd aandelenfonds met honderden of duizenden posities. Individuele deelnemingen kunnen volledig worden afgeschreven; bij buy-outs is dat uitzonderlijk, bij venture capital normaal.
Leverage bij portefeuillebedrijven
De schuld zit niet in het fonds maar in de overgenomen ondernemingen. Bij tegenvallende resultaten of oplopende rente drukt de rentelast eerst op de winst en daarna op de waarde van het eigen vermogen, dat wil zeggen op uw belang. Vraag naar de gemiddelde schuldratio in de portefeuille en naar het aandeel van de financiering met variabele rente.
Waarderingsrisico
De kwartaalwaardering wordt bepaald met een model, veelal op basis van vergelijkbare beursgenoteerde ondernemingen of vergelijkbare transacties. De beheerder die de waardering opstelt, wordt op basis van diezelfde waardering beoordeeld en beloond. Dat is een structureel belangenconflict, ook bij volstrekt integere partijen.
Het gevolg is dat private equity in grafieken stabieler oogt dan de onderliggende werkelijkheid. Waardedalingen worden vertraagd en afgevlakt zichtbaar. Vraag daarom wie de waardering opstelt, of een onafhankelijke partij daarop toetst en welke methodiek wordt gehanteerd.
Manager- en selectierisico
Dit is bij private equity het dominante risico. Het verschil tussen de bovenste en de onderste kwartielen bedraagt bij private equity volgens onderzoek van RVK, gepubliceerd via Nasdaq eVestment, ongeveer 12,9 procentpunt, tegenover circa 1,5 procentpunt bij beursgenoteerde aandelenfondsen.
De spreiding tussen beheerders is bij private equity dus historisch veel groter dan bij beursgenoteerde aandelenfondsen, waardoor beheerderselectie zwaarder weegt. Wie geen toegang heeft tot de beter presterende beheerders, koopt in de praktijk vooral illiquiditeit.
Er is overigens ook kritiek op de gangbare lezing van deze cijfers. Onder meer vermogensbeheerder Verdad betoogt dat de gemeten spreiding deels een gevolg is van meetmethoden en van het feit dat een belegger vooraf niet weet welke beheerder in het bovenste kwartiel zal eindigen. Historische persistentie biedt enige houvast: volgens analyse van CAIS presteerde ongeveer 70 procent van de fondsen die volgden op een fonds uit het bovenste kwartiel opnieuw boven de mediaan. In recentere jaargangen lijkt die persistentie echter af te nemen.
Blind-poolrisico
Bij een gesloten fonds zegt u kapitaal toe voordat bekend is in welke ondernemingen wordt geïnvesteerd. U beoordeelt een strategie en een team, niet een portefeuille. Bij secondaries- en dakfondsen is dit risico kleiner, doordat een deel van de onderliggende beleggingen al zichtbaar is.
Vintagejaarrisico
Het jaar waarin een fonds zijn kapitaal investeert, is een van de belangrijkste verklarende factoren voor het uiteindelijke rendement. Fondsen die investeerden in 2006 en 2007, vlak voor de financiële crisis en tegen hoge instapmultiples, bleven duidelijk achter bij fondsen uit de jaargangen kort na de crisis, terwijl een deel daarvan door dezelfde teams werd beheerd.
Wanneer u instapt, doet er dus evenveel toe als bij wie. Dat is een argument om niet in één jaar uw volledige allocatie in te vullen.
Valuta-, landen- en sectorrisico
Veel fondsen luiden in Amerikaanse dollars, waardoor uw rendement mede afhangt van de wisselkoers, terwijl afdekking vanwege de onvoorspelbare kasstromen lastig is. Daarnaast zijn portefeuilles vaak geconcentreerd in enkele sectoren. Software is de afgelopen tien jaar goed voor ongeveer een kwart van de totale transactiewaarde in private equity, waardoor een herwaardering in die sector doorwerkt in een groot deel van de markt.
Het risico van uitgestelde of tegenvallende exits
Dit risico is de afgelopen jaren van theoretisch naar actueel opgeschoven. Volgens het Global Private Equity Report 2026 van Bain & Company zaten wereldwijd ongeveer 32.000 onverkochte ondernemingen in buy-outportefeuilles, met een geschatte waarde van 3,8 biljoen dollar. De gemiddelde houdperiode tot verkoop is opgelopen naar ongeveer zeven jaar, tegen vijf tot zes jaar in de periode 2010 tot 2021.
Voor u betekent dat concreet: uitkeringen komen later dan gepland, de looptijd wordt verlengd, en de beheervergoeding loopt in die verlengde periode door.
Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?
Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?
Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.
Hoe beoordeelt u het rendement van een private-equityfonds?
IRR, MOIC, TVPI en DPI
Vier maatstaven, die verschillende dingen meten.
Maatstaf | Wat het meet | Waarop te letten |
IRR | Rendement per jaar, gewogen naar het moment van de kasstromen | Sterk te beïnvloeden door de timing van opvragingen en door kredietfaciliteiten |
MOIC | Brutoveelvoud van het geïnvesteerde bedrag | Houdt geen rekening met tijd en meestal niet met kosten |
TVPI | Totale waarde, uitgekeerd plus resterende waarde, gedeeld door de inleg | Bevat ongerealiseerde waarde uit de eigen waardering van de beheerder |
DPI | Daadwerkelijk uitgekeerd geld gedeeld door de inleg | De enige maatstaf die niet op een schatting berust |
Een hoge IRR bij een lage DPI betekent dat het rendement voornamelijk op papier bestaat. Institutionele beleggers zijn hier de afgelopen jaren scherper op gaan letten: het aandeel dat DPI als belangrijkste maatstaf noemt, is volgens onderzoek van McKinsey in drie jaar tijd fors gestegen.
De IRR is bovendien manipuleerbaar. Wanneer een beheerder overnames tijdelijk met een kredietfaciliteit financiert en het kapitaal pas later bij beleggers opvraagt, stijgt de gerapporteerde IRR zonder dat het onderliggende resultaat verbetert. Vraag daarom altijd naar de IRR met en zonder gebruik van kredietfaciliteiten.
Bruto tegenover netto rendement
Presentaties tonen vaak brutorendementen op dealniveau. Wat voor u telt, is het nettorendement na beheervergoeding, fondskosten, carried interest en, in een gestapelde constructie, na alle tussenliggende lagen. Het verschil bedraagt zoals hierboven getoond al snel meerdere procentpunten per jaar. Vraag expliciet om netto cijfers op fondsniveau, en om het cijfer na de laag waarin u zelf instapt.
Gerealiseerd tegenover ongerealiseerd rendement
Vraag welk deel van het gerapporteerde resultaat is gerealiseerd en welk deel op waardering berust. Een fonds uit een oudere jaargang met een TVPI van 1,8 en een DPI van 0,4 heeft na jaren nog nauwelijks geld teruggegeven. Vraag ook op welke wijze uitkeringen tot stand zijn gekomen. Een uitkering die voortkomt uit een daadwerkelijke verkoop aan een derde is iets anders dan een uitkering uit een herfinanciering, een lening tegen de fondswaarde, of een verkoop aan een continuation fund dat door dezelfde beheerder wordt bestuurd.
Continuation funds zijn sterk in opkomst. Volgens Bain groeide het gebruik ervan in 2025 met 62 procent, al vertegenwoordigden zij nog altijd minder dan tien procent van de totale exitwaarde in private equity. Zij bieden liquiditeit, maar brengen ook een belangenconflict met zich mee: dezelfde beheerder staat aan beide kanten van de transactie.
De spreiding tussen goede en slechte beheerders
Zie hierboven bij manager- en selectierisico. De praktische conclusie is dat de vraag niet luidt of private equity als categorie aantrekkelijk is, maar of u toegang heeft tot beheerders in de bovenste helft van de verdeling. Heeft u die niet, dan is het mediane resultaat na kosten het realistische uitgangspunt, en dat ligt aanzienlijk lager dan de cijfers waarmee de categorie doorgaans wordt aangeprezen.
Spreiding over vintagejaren
Verdeel uw allocatie over meerdere jaren in plaats van in één keer in te stappen. Wie bijvoorbeeld € 300.000 wil alloceren, kan overwegen dat over drie tot vijf jaargangen te verdelen. Bij evergreenfondsen ontstaat die spreiding gedeeltelijk vanzelf, doordat het fonds doorlopend investeert.
Waarom private equity stabieler oogt dan het is
In grafieken vertoont private equity minder beweging dan de aandelenmarkt. Die rust is grotendeels een waarderingsartefact: er is geen dagelijkse koers, en modelwaarderingen volgen marktbewegingen vertraagd en afgevlakt.
Het gevolg is dat de gemeten volatiliteit en de gemeten correlatie met de aandelenmarkt lager uitvallen dan de economische werkelijkheid rechtvaardigt. Wie op basis van die cijfers berekent hoeveel private equity in een portefeuille past, overschat het diversificatievoordeel. Beschouw de lage gemeten volatiliteit als een eigenschap van de meting, niet als een eigenschap van de belegging.
Waarop let u bij de selectie van een fonds of aanbieder?
Strategie, fondsvoorwaarden en trackrecord
Vraag naar het resultaat van alle voorgaande fondsen van dezelfde beheerder, niet naar een selectie. Beoordeel of het team dat die resultaten behaalde er nog is: bij private equity zit de prestatie in personen, en een vertrek van sleutelfiguren is materieel. Kijk of er een key man-bepaling in de voorwaarden staat die u beschermt wanneer die personen vertrekken.
Let verder op de omvang van het nieuwe fonds ten opzichte van het vorige. Een sterke toename betekent dat de beheerder in een ander segment gaat opereren dan het segment waarin het trackrecord is opgebouwd. Vraag naar het GP-commitment: legt de beheerder substantieel eigen geld in, en is dat contant of via een kwijtschelding van vergoedingen?
Kosten en waarderingsbeleid
Vraag om de totale kosten uitgedrukt in een percentage per jaar, inclusief alle lagen, en om de grondslag van de beheervergoeding. Vraag hoe de waardering tot stand komt, wie haar opstelt, of een onafhankelijke partij haar toetst en volgens welke richtlijnen wordt gewaardeerd. Vraag ten slotte of vergoedingen die de beheerder bij portefeuillebedrijven in rekening brengt, aan het fonds ten goede komen.
Onder welk toezicht vallen het fonds en de beheerder?
Toezicht is geen kwaliteitsoordeel: een vergunning zegt niets over het te verwachten rendement. Wel bepaalt het toezichtregime welke informatie u wettelijk moet ontvangen en welke bescherming u geniet. Het is daarom van belang vast te stellen waar een aanbieding staat.
Onze eerdere constatering dat het aanbod aan beleggingsproducten sterk is toegenomen geldt bij private markets in versterkte mate. De AFM schat de jaarlijkse schade door beleggingsfraude in Nederland op ongeveer € 750 miljoen.
Vergunning, AIFM-registratie en bewaarder
Controleer de aanbieder in het openbare register van de AFM. Belangrijk daarbij is het onderscheid tussen een volledige AIFM-vergunning en het lichtere registratieregime. Beheerders blijven onder bepaalde drempels, ruwweg € 100 miljoen beheerd vermogen met leverage en € 500 miljoen zonder leverage en zonder tussentijdse terugbetalingsrechten gedurende vijf jaar, buiten de volledige vergunningplicht en volstaan met een registratie. Zij zijn dan niet onderworpen aan hetzelfde toezicht, en de verplichting om een onafhankelijke bewaarder aan te stellen geldt niet.
De bewaarder is een wezenlijke waarborg: die houdt de activa aan en controleert of geldstromen conform de fondsvoorwaarden verlopen. Vraag altijd of er een bewaarder is en welke partij dat is.
Wat betekent de grens van € 100.000 in de toezichtregels?
Dit is voor de doelgroep van dit artikel het meest relevante punt uit de regelgeving, en het wordt zelden uitgelegd.
De grens van € 100.000 komt in verschillende toezichtregels terug. Zo kan een aanbieding van effecten vanaf € 100.000 per belegger onder voorwaarden zijn vrijgesteld van de prospectusplicht. Voor beleggingsobjecten geldt eenzelfde grens voor de vergunningplicht. Ook een AIFM-lightbeheerder kan onder voorwaarden fondsdeelnemingen aan niet-professionele beleggers aanbieden vanaf € 100.000. In dat laatste geval verlangt de AFM in beginsel dat de eerste inleg van minimaal € 100.000 exclusief kosten ineens wordt betaald; een nog niet opgevraagde kapitaaltoezegging is daarvoor niet voldoende. Welk regime geldt, hangt af van de juridische structuur van het fonds en de wijze waarop het wordt aangeboden.
De redenering achter deze vrijstellingen is dat wie een dergelijk bedrag inlegt, geacht wordt zelf onderzoek te kunnen doen.
Het gevolg is dat vermogende particulieren stelselmatig aanbiedingen ontvangen die niet inhoudelijk door een toezichthouder zijn beoordeeld. Aanbieders die van een dergelijke vrijstelling gebruikmaken, moeten in hun uitingen een verplichte vrijstellingsvermelding opnemen: een zwart-wit balk met een pictogram en de tekst dat u buiten AFM-toezicht belegt en dat er geen vergunningplicht en of prospectusplicht voor de activiteit geldt.
Die vermelding betekent niet dat een aanbieding onbetrouwbaar is. Veel legitieme fondsen vallen onder deze vrijstelling. Wel betekent het dat niemand de aangeboden informatie op volledigheid heeft getoetst en dat u dat onderzoek zelf moet doen of laten doen. Constateert u dat de vermelding ontbreekt terwijl de vrijstelling wordt gebruikt, dan is dat een serieus signaal.
Belangenverstrengeling binnen advies, vermogensbeheer en private banking
Stel bij elk aanbod de vraag wie eraan verdient. Wanneer uw beheerder u een private-marketsfonds aanbiedt, is relevant of hij een distributievergoeding ontvangt, of hij zelf een belang heeft in het fonds of in de fondsbeheerder, en of hij bij de waardering betrokken is.
Dat dit geen theoretische kwestie is, blijkt uit het onderzoek dat AFM en DNB verrichten naar mogelijke misleiding van beleggers bij Auréus en SemmieWealth, waarbij onder meer een verborgen belangenverstrengeling rond een private-marktfonds aan de orde is dat indirect aandeelhouder zou zijn in beide vermogensbeheerders.
Vraag daarom vooraf schriftelijk om opgave van alle vergoedingen die uw adviseur of beheerder in verband met de belegging ontvangt, van welke partij dan ook.
Welke plaats kan private equity binnen uw vermogen innemen?
Bepaal uw illiquiditeitsbudget
Begin niet bij de vraag hoeveel procent private equity gebruikelijk is, maar bij de vraag welk deel van uw vermogen u tien jaar lang volledig kunt missen. Dat bedrag is uw illiquiditeitsbudget. Alles wat u binnen die termijn nodig heeft voor uitgaven, aflossingen, schenkingen of onvoorziene omstandigheden, valt erbuiten.
Houd rekening met toekomstige kapitaalopvragingen
Bij gesloten fondsen is niet uw gestorte bedrag maar uw toezegging de relevante grootheid. Reserveer voldoende liquide middelen om aan resterende opvragingen te kunnen voldoen, ook wanneer de markten intussen zijn gedaald. Dat laatste is bepaald geen theoretisch scenario: opvragingen komen vaak juist in slechte jaren, omdat dan aantrekkelijk kan worden gekocht.
Tel uw eigen onderneming, vastgoed en andere illiquide beleggingen mee
Uw illiquiditeitsbudget geldt voor het totaal. Wie een onderneming bezit, verhuurd vastgoed aanhoudt of een andere alternatieve belegging heeft, heeft dat budget al gedeeltelijk of geheel besteed. Voor ondernemers speelt bovendien een correlatievraag: uw onderneming, uw inkomen en uw private-equitybelegging kunnen tegelijk in waarde dalen wanneer dezelfde economische omstandigheden zich voordoen.
Let daarnaast op het denominator-effect. Wanneer uw beursgenoteerde beleggingen dalen, stijgt het aandeel van de private-equitypositie in uw totale vermogen automatisch, terwijl u die positie niet kunt verkleinen. De weging loopt dan op precies wanneer u dat niet wilt.
Spreid over beheerders, strategieën en vintagejaren
Eén fonds in één jaar is geen positie in de categorie. Streef naar spreiding over ten minste drie tot vijf beheerders of jaargangen. Is uw allocatie daarvoor te klein, kies dan een dakfonds of een multi-managerevergreen, en accepteer de extra kostenlaag als de prijs van spreiding.
Voorbeelden bij € 100.000, € 500.000 en € 2 miljoen vrij belegbaar vermogen
De onderstaande uitwerking is een illustratie, geen advies. De juiste allocatie hangt af van uw inkomen, uw horizon, uw overige bezittingen en uw risicobereidheid.
Vrij belegbaar vermogen | Realistisch illiquiditeitsbudget | Wat daarmee mogelijk is | Beoordeling |
€ 100.000 | € 5.000 tot € 10.000 | Eén evergreenfonds, geen spreiding over beheerders of jaargangen | Zelden passend; de kosten en de illiquiditeit wegen niet op tegen wat één positie toevoegt |
€ 500.000 | € 25.000 tot € 50.000 | Eén tot twee evergreenfondsen, of een multi-managerfonds via vermogensbeheer | Mogelijk passend, mits u de looptijd echt kunt overzien |
€ 2 miljoen | € 200.000 tot € 300.000 | Drie tot vijf posities, gespreid over strategieën en jaargangen, eventueel inclusief een gesloten fonds | Passend voor wie de categorie begrijpt en de horizon heeft |
Voor de meeste beleggers met een vermogen rond € 100.000 is de conclusie dat private equity nog niet aan de orde is. Dat is geen tekortkoming maar een kwestie van volgorde: spreiding, kosten en flexibiliteit leveren op dat niveau meer op dan toegang tot een extra beleggingscategorie. Wie de bredere afweging wil maken, vindt in ons overzicht van investeringsmogelijkheden de alternatieven naast elkaar.
Hoe wordt private equity fiscaal behandeld?
Onderstaande beschrijving geeft de hoofdlijnen weer op basis van de regels voor het belastingjaar 2026. De fiscale behandeling van private-equitybeleggingen is sterk afhankelijk van de structuur van het fonds en van uw persoonlijke situatie. Laat uw specifieke geval altijd door een fiscalist beoordelen.
Private-equitybeleggingen in box 3
Belegt u in privé en heeft u een belang van minder dan vijf procent, dan valt uw private-equitybelegging in box 3 onder de categorie overige bezittingen. Voor de voorlopige aanslag 2026 rekent de Belastingdienst voor beleggingen en andere bezittingen met een forfaitair rendement van 6,00 procent. Het box 3-tarief bedraagt 36 procent en het heffingsvrije vermogen € 59.357 per persoon, ofwel € 118.714 voor fiscale partners. Peildatum is 1 januari.
Hier ontstaat het kernprobleem van deze categorie. U betaalt belasting over een verondersteld rendement van 6 procent, terwijl uw belegging niets uitkeert en niet verkoopbaar is. In de eerste jaren van een gesloten fonds, wanneer de J-curve nog negatief is, betaalt u dus belasting over rendement dat er niet is en dat u ook niet kunt vrijmaken. U heeft daarnaast een waarderingsvraagstuk: u moet per 1 januari een waarde opgeven voor een belang waarvoor geen markt bestaat. Voor box 3 geldt de waarde in het economische verkeer op die datum. De meest recente door het fonds gerapporteerde intrinsieke waarde kan daarvoor een uitgangspunt vormen, mits deze rond de peildatum representatief is. Bewaar de fondsrapportage en eventuele onderbouwing van correcties.
De tegenbewijsregeling box 3 biedt hier gedeeltelijk uitkomst. Kunt u aantonen dat uw werkelijke rendement lager was dan het forfait, dan wordt over dat lagere bedrag geheven. Let op dat het werkelijke rendement volgens de Wet tegenbewijsregeling box 3 ook ongerealiseerde waardestijgingen omvat. Een op papier gestegen fondswaarde telt dus mee, ook als er geen euro is uitgekeerd. Het kabinet streeft naar invoering van een nieuw box 3-stelsel per 1 januari 2028. Het wetsvoorstel is per augustus 2026 nog niet definitief aangenomen; de Eerste Kamer wacht eerst op een aangekondigde novelle. In ons artikel over vermogensbelasting staat de systematiek in detail beschreven.
Wanneer kan box 2 een rol spelen?
Houdt u vijf procent of meer van de aandelen in een vennootschap, dan is sprake van een aanmerkelijk belang en valt het voordeel in box 2. Dit speelt vooral bij directe participaties in één onderneming, niet bij deelname in een breed gespreid fonds.
In box 2 gelden in 2026 twee schijven: 24,5 procent over de eerste € 68.843 en 31 procent over het meerdere. Voor fiscale partners geldt het lage tarief gezamenlijk tot € 137.686. In box 2 wordt geheven bij een daadwerkelijk voordeel, dus bij dividend of bij verkoop, en niet over een forfaitair rendement.
Een bijzonder aandachtspunt is het lucratief belang. Wanneer u meedoet in een structuur waarin het mogelijke rendement niet in verhouding staat tot uw inleg, bijvoorbeeld als fondsmanager via carried interest of sweet equity, kan de lucratiefbelangregeling van toepassing zijn. Onder voorwaarden kan een middellijk gehouden lucratief belang via de aanmerkelijkbelangvariant in box 2 worden belast. De voorgenomen verhoging van de effectieve belastingdruk tot maximaal 36 procent is uitgesteld tot 1 januari 2028. Laat dit bij managementparticipaties vooraf toetsen.
Beleggen vanuit een holding of andere BV
Belegt u vanuit uw BV, dan valt het resultaat onder de vennootschapsbelasting: in 2026 19 procent over de eerste € 200.000 winst en 25,8 procent daarboven. Anders dan in box 3 wordt geheven over het werkelijke resultaat, niet over een forfait.
Bij een minderheidsbelang in een fonds is de deelnemingsvrijstelling vaak niet van toepassing. Of dat anders is bij een belang van ten minste vijf procent, hangt af van de juridische en fiscale kwalificatie van het fonds en van de voorwaarden van de deelnemingsvrijstelling, waaronder de bezittingen-, onderworpenheids- en oogmerktoets. Neem dit dus niet als uitgangspunt zonder fiscale toetsing.
Belangrijk is verder de fiscale kwalificatie van het fonds zelf. Veel Nederlandse private-equityfondsen zijn opgezet als commanditaire vennootschap. Sinds de wijziging van het fiscale kwalificatiebeleid per 2025 is de open CV als zelfstandig belastingplichtige in beginsel verdwenen en zijn deze structuren doorgaans fiscaal transparant. Dat betekent dat u geacht wordt rechtstreeks in de onderliggende beleggingen te participeren, met gevolgen voor uw aangifte en mogelijk voor buitenlandse bronbelasting. Uitzonderingen blijven mogelijk, bijvoorbeeld bij omgekeerde hybride lichamen of bij structuren die als fonds voor gemene rekening kwalificeren. Buitenlandse fondsen kennen weer eigen kwalificatievragen.
Privé of vanuit een BV beleggen
Aspect | Beleggen in privé, box 3 | Beleggen vanuit de BV |
Grondslag heffing | Voorlopig forfaitair rendement van 6,00% over de waarde per 1 januari | Werkelijk resultaat, gerealiseerd en veelal ook ongerealiseerd volgens waarderingsregels |
Tarief | 36% over het forfaitaire voordeel | 19% tot € 200.000 winst, daarboven 25,8% |
Effect bij tegenvallend rendement | Heffing loopt door, tenzij u de tegenbewijsregeling toepast | Geen winst betekent geen heffing; verliesverrekening mogelijk |
Liquiditeit voor de belastingheffing | U betaalt uit privémiddelen terwijl de belegging niets uitkeert | De BV betaalt uit eigen middelen, mits daar liquiditeit is |
Uitkeringen naar privé | Niet van toepassing | Aanvullend box 2 bij dividend, 24,5% of 31% |
Administratieve gevolgen | Waardebepaling per 1 januari, onderbouwing bewaren | Jaarrekening, aangifte vennootschapsbelasting, waardering op de balans |
Fondsstructuur | Transparantie van het fonds bepaalt de opgave in de aangifte | Transparantie bepaalt de verwerking in de winstbepaling |
Flexibiliteit | Eenvoudiger, minder verplichtingen | Meer sturing op timing van uitkeringen en verliesverrekening |
Aandachtspunt | Heffing over niet-ontvangen rendement | Deelnemingsvrijstelling is bij een minderheidsbelang in een fonds vaak niet van toepassing |
De keuze hangt af van de vraag of u al over een BV beschikt, van uw verwachte rendement ten opzichte van het forfait en van uw plannen met het vermogen op langere termijn. Voor DGA's die na een verkoop over vermogen in de holding beschikken, is de vergelijking bovendien niet volledig zonder de vraag wat het kost om dat geld eerst naar privé te halen.
Wat is het verschil met andere private markets?
Private equity wordt vaak in één adem genoemd met andere niet-beursgenoteerde categorieën. De risico's en rendementsbronnen verschillen echter wezenlijk.
Private equity tegenover private debt
Bij private debt verstrekt het fonds leningen aan bedrijven in plaats van eigen vermogen. U ontvangt rente in plaats van een aandeel in de waardegroei, en u staat hoger in de rangorde bij een faillissement. Het rendement is stabieler en lager, en het opwaartse potentieel ontbreekt.
De AFM heeft in 2026 herhaaldelijk aandacht gevraagd voor risico's in deze markt, met name rond waardering, leverage, transparantie en illiquiditeit. Naar schatting hebben Nederlandse particuliere beleggers ongeveer € 1,3 miljard in Nederlandse private-creditfondsen belegd.
Private equity tegenover infrastructuur
Infrastructuurfondsen beleggen in energienetwerken, datacenters, wegen en vergelijkbare activa. De kasstromen zijn voorspelbaarder en vaak contractueel of gereguleerd vastgelegd, soms gekoppeld aan inflatie. Het verwachte rendement ligt lager dan bij buy-outs, de looptijden zijn nog langer en de gevoeligheid voor de rente is groter.
Private equity tegenover niet-beursgenoteerd vastgoed
Bij niet-beursgenoteerd vastgoed belegt u in stenen in plaats van in ondernemingen. Het rendement bestaat voor een belangrijk deel uit huurinkomsten, en de waardering hangt sterk samen met de rente en met taxaties. Wie in Nederland al een eigen woning en eventueel verhuurd vastgoed bezit, heeft in deze categorie doorgaans al een aanzienlijke blootstelling.
De private-equitymarkt anno 2026
Stand van zaken per augustus 2026. De onderstaande punten wijzigen relatief snel; controleer bij een concrete beslissing de actuele situatie.
De exitmarkt is nog niet genormaliseerd. Volgens het Global Private Equity Report 2026 van Bain & Company zaten wereldwijd ongeveer 32.000 onverkochte ondernemingen in buy-outportefeuilles, met een geschatte waarde van 3,8 biljoen dollar.
Houdperioden zijn opgelopen naar gemiddeld ongeveer zeven jaar bij verkoop, tegen vijf tot zes jaar in de periode 2010 tot 2021. Dat betekent latere uitkeringen en langer doorlopende beheervergoedingen.
De secondarymarkt is sterk gegroeid, met in het recordjaar 2025 een geraamd transactievolume van ongeveer 240 miljard dollar, en fungeert als drukventiel voor de vastgelopen exitmarkt. Het gebruik van continuation funds nam in 2025 met 62 procent toe, maar bleef onder tien procent van de totale exitwaarde.
Institutionele beleggers sturen inmiddels nadrukkelijk op DPI, het daadwerkelijk uitgekeerde geld, in plaats van op IRR. Dat verschuift de aandacht van papieren naar gerealiseerde resultaten.
De toegang voor particuliere beleggers verbreedt in hoog tempo. In 2025 werden wereldwijd 123 evergreenfondsen gelanceerd, een record, en het aantal aan beleggers aangeboden ELTIF's groeide van 21 in 2023 naar 87 in 2025. Nederlandse banken verlaagden hun drempels stapsgewijs.
Toezichthouders volgen die verbreding kritisch. De AFM wees in Trendzicht 2026 op liquiditeitsmismatches bij open-end fondsen met illiquide activa en waarschuwde in april 2026 opnieuw over de private-creditmarkt.
In Nederland haalden buy-outfondsen in 2025 volgens de NVP een recordbedrag van € 6,9 miljard aan nieuw kapitaal op, terwijl de fondsenwerving voor groeikapitaal terugviel naar € 32 miljoen. Het beeld is dus verdeeld: veel kapitaal voor volwassen bedrijven, weinig voor de groeifase daartussen.
Veelgestelde vragen
Kan ik als particulier rechtstreeks in een private-equityfonds beleggen?
In de meeste gevallen niet. Institutionele private-equityfondsen hanteren minimuminleggen die voor particulieren onbereikbaar zijn. Toegang loopt in de praktijk via evergreenfondsen en ELTIF's, via feeder- of dakfondsen, via een vermogensbeheerder of private bank, of via beursgenoteerde participatiemaatschappijen.
Wat is het minimale bedrag om in private equity te beleggen?
Via een evergreenfonds of ELTIF ligt de minimuminleg doorgaans tussen € 10.000 en € 25.000. Via een vermogensbeheerder is een instap van € 25.000 gebruikelijk, vaak bij een portefeuille vanaf circa € 200.000. Traditionele gesloten fondsen beginnen voor particulieren rond € 100.000. Beursgenoteerde participatiemaatschappijen zijn met enkele honderden euro's toegankelijk.
Hoelang zit mijn geld vast in private equity?
Bij een traditioneel gesloten fonds circa tien jaar, met mogelijkheid tot verlenging. Bij evergreenfondsen is er geen einddatum, maar gelden uitstapbeperkingen die per fonds sterk verschillen: afhankelijk van het fonds kan sprake zijn van een lock-up, een voorafgaande opzegtermijn, periodieke handelsmomenten, uitstapkosten en een maximum aan de totale terugkoopverzoeken per periode.
Wat is het verschil tussen private equity en beleggen in aandelen?
Bij beursgenoteerde aandelen kunt u dagelijks handelen tegen een door de markt bepaalde koers. Bij private equity is er geen dagelijkse handel en wordt de waarde per kwartaal met een model bepaald. De kosten liggen aanzienlijk hoger, de beheerder heeft doorgaans zeggenschap in de onderneming, en het verschil tussen goede en slechte beheerders is vele malen groter.
Hoe wordt private equity belast in box 3?
Als overige bezitting. Voor de voorlopige aanslag 2026 rekent de Belastingdienst met een forfaitair rendement van 6,00 procent, met een tarief van 36 procent over het berekende voordeel en een heffingsvrij vermogen van € 59.357 per persoon. U betaalt dus ook wanneer de belegging niets uitkeert. Via de tegenbewijsregeling kunt u een lager werkelijk rendement aantonen, waarbij ongerealiseerde waardestijgingen wel meetellen.
Kan ik als ondernemer in private equity beleggen zonder zelf bedrijven te kopen?
Ja. Via een fonds belegt u mee in een portefeuille van ondernemingen zonder zelf te hoeven selecteren, onderhandelen of besturen. Via een dakfonds of een multi-managerevergreen wordt bovendien de keuze van de onderliggende beheerders uit handen genomen. U betaalt daarvoor een extra kostenlaag.
Is private equity risicovoller dan beursgenoteerde aandelen?
Dat hangt af van welk risico u bedoelt. De gemeten koersschommeling is lager, maar dat is grotendeels een gevolg van de waarderingsmethode en niet van de onderliggende economische werkelijkheid. Op de punten die er voor u toe doen, is het risico groter: minder spreiding, meer schuld in de portefeuillebedrijven, geen mogelijkheid tot uitstappen en een zeer grote afhankelijkheid van de gekozen beheerder.
Wat gebeurt er wanneer ik mijn belegging eerder wil verkopen?
Bij een gesloten fonds kunt u uw belang alleen op de secondarymarkt verkopen, doorgaans met toestemming van de beheerder en vaak met een korting op de laatst gerapporteerde waarde. Bij een evergreenfonds dient u een verkoopverzoek in dat pas op een volgend handelsmoment wordt verwerkt en dat gedeeltelijk kan worden toegewezen wanneer het maximum voor die periode wordt bereikt. De precieze voorwaarden verschillen per fonds.
Hoe herken ik een goed private-equityfonds?
Beoordeel het volledige trackrecord over alle voorgaande fondsen, niet een selectie. Kijk naar DPI en niet alleen naar IRR en TVPI. Controleer of het team dat de historische resultaten behaalde er nog is, hoeveel eigen geld de beheerder inlegt, hoe de waardering tot stand komt en of een onafhankelijke partij daarop toeziet. Vraag om de totale kosten inclusief alle lagen, en vraag welke vergoedingen uw adviseur of beheerder in verband met de belegging ontvangt.
Is private equity geschikt wanneer ik € 100.000 vrij belegbaar vermogen heb?
Doorgaans niet. Een verantwoord illiquiditeitsbudget komt op dat niveau uit op € 5.000 tot € 10.000, waarmee u hooguit één positie kunt innemen zonder spreiding over beheerders of jaargangen. De kosten en de illiquiditeit wegen dan niet op tegen wat die ene positie aan uw portefeuille toevoegt. Een goed gespreide, kostenefficiënte portefeuille levert op dit vermogensniveau doorgaans meer op.
door Frits van Manen
Frits is partner bij Vermogensbeheer.nl en heeft ervaring als beleggings- en vermogensadviseur bij een grote Nederlandse bank en fondshuis. Frits begeleidt vermogende particulieren, ondernemers, stichtingen en instellingen die op zoek zijn naar een goede en passende vermogensbeheerder.
Gerelateerd:
Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?
Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?
Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.