Vermogensbelasting 2026: tarieven, vrijstelling en berekening in box 3
In 2026 bedraagt de vermogensbelasting in box 3 36% over het forfaitaire rendement op uw vermogen boven het heffingsvrij vermogen van € 59.357 per persoon (€ 118.714 voor fiscale partners). De Belastingdienst rekent met drie forfaitaire rendementspercentages: 1,28% voor banktegoeden, 6,00% voor overige bezittingen en 2,70% voor schulden. Peildatum is 1 januari. Wie kan aantonen dat zijn werkelijke rendement lager uitvalt, betaalt op grond van de Wet tegenbewijsregeling box 3 over dat lagere bedrag. Het kabinet stuurt op invoering van een nieuw stelsel op basis van werkelijk rendement per 1 januari 2028, mits de wetgeving tijdig wordt afgerond.

Wat is vermogensbelasting? Definitie en afbakening
Vermogensbelasting in Nederland is een belasting op het rendement uit vermogen, niet op het vermogen zelf. Dat is de reden dat de Belastingdienst de heffing officieel vermogensrendementsheffing noemt. De heffing valt in box 3 van de inkomstenbelasting. De zelfstandige Wet vermogensbelasting bestaat sinds de stelselherziening van 2001 niet meer. In het spraakgebruik blijven de termen vermogensbelasting, box 3-heffing en spaartaks naast elkaar bestaan; ze verwijzen alle drie naar dezelfde regeling.
Verschil tussen box 1, box 2 en box 3
De inkomstenbelasting kent drie boxen, elk met een eigen tariefstructuur en een eigen soort inkomen. In box 1 valt inkomen uit werk en eigen woning. Box 2 belast inkomen uit aanmerkelijk belang, dus voor de aandeelhouder met een belang van ten minste 5% in een vennootschap zoals een BV. Box 3 belast het inkomen uit sparen en beleggen, dat wil zeggen het rendement op uw spaargeld, beleggingen, vorderingen en niet-zelfbewoond vastgoed.
Voor wie meerdere vermogensvormen combineert is dit onderscheid bepalend. Spaargeld op een rekening hoort altijd in box 3. Aandelen in een eigen BV horen in box 2. Een verhuurd appartement hoort in box 3, terwijl uw eigen woning in box 1 valt. De keuze tussen box 2 en box 3 is voor grotere vermogens een belangrijke fiscale afweging waarop verderop in dit artikel wordt ingegaan.
Wat telt wel en niet mee als vermogen
Voor box 3 telt uw vermogen op de peildatum 1 januari mee, gedefinieerd als bezittingen minus schulden. Niet alle bezittingen worden meegerekend.
Wel in box 3 | Niet in box 3 |
|---|---|
Spaargeld op betaal- en spaarrekeningen | Eigen woning (valt in box 1) |
Deposito's en obligaties | Aanmerkelijk belang in een BV (valt in box 2) |
Aandelen, ETF's en beleggingsfondsen | Pensioenrechten en lijfrenten |
Tweede woning of beleggingspand | Inboedel en eigen auto |
Cryptovaluta | Roerende zaken voor eigen gebruik |
Vorderingen op derden | Kunst en wetenschapsobjecten (geen belegging) |
Aandeel in VvE-reserve (als banktegoed) | Bossen, natuurterreinen en landgoederen onder de Natuurschoonwet |
Tegoeden op derdenrekening notaris (als banktegoed) | Contant geld tot € 672 per persoon (2026) |
Bij schulden geldt een drempel: alleen het deel van uw schulden boven € 3.800 per persoon (€ 7.600 voor fiscale partners) is aftrekbaar. Belastingschulden en de hypotheekschuld op uw eigen woning zijn niet aftrekbaar in box 3, omdat die respectievelijk niet en in box 1 worden behandeld.
Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?
Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?
Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.
Vermogensbelasting 2026: de cijfers in één overzicht
Voor het belastingjaar 2026 (waarover u in 2027 aangifte doet) gelden de volgende kerngegevens.
Kerngegevens box 3 in 2026
Onderdeel | Bedrag of percentage 2026 |
|---|---|
Belastingtarief box 3 | 36% |
Heffingsvrij vermogen alleenstaand | € 59.357 |
Heffingsvrij vermogen fiscale partners | € 118.714 |
Forfaitair rendement banktegoeden | 1,28% (voorlopig) |
Forfaitair rendement overige bezittingen | 6,00% (definitief) |
Forfaitair rendement schulden | 2,70% (voorlopig) |
Schuldendrempel alleenstaand | € 3.800 |
Schuldendrempel fiscale partners | € 7.600 |
Vrijstelling groene beleggingen alleenstaand | € 26.715 |
Vrijstelling groene beleggingen fiscale partners | € 53.430 |
Heffingskorting groene beleggingen | 0,1% |
Vrijstelling contant geld alleenstaand | € 672 |
Vrijstelling contant geld fiscale partners | € 1.344 |
Peildatum | 1 januari 2026 |
De definitieve percentages voor banktegoeden en schulden worden begin 2027 vastgesteld door het ministerie van Financiën. Het percentage voor overige bezittingen staat al vast op 6,00%. In de oorspronkelijke kabinetsplannen voor 2026 zou het heffingsvrij vermogen worden verlaagd naar € 51.396 en zou het forfaitair rendement op overige bezittingen stijgen naar 7,78%. Beide voorstellen zijn op verzoek van de Tweede Kamer geschrapt.
Ontwikkeling heffingsvrij vermogen en tarief sinds 2022
Jaar | Heffingsvrij vermogen per persoon | Tarief box 3 |
|---|---|---|
2022 | € 50.650 | 31% |
2023 | € 57.000 | 32% |
2024 | € 57.000 | 36% |
2025 | € 57.684 | 36% |
2026 | € 59.357 | 36% |
Sinds 2022 is het heffingsvrij vermogen met ruim € 8.700 toegenomen, terwijl het tarief in dezelfde periode is opgelopen van 31% naar 36%. Voor wie in 2024 minder dan € 57.000 aan vermogen had en geen aangifte hoefde te doen, kan dit beeld misleidend zijn: de combinatie van een hoger forfaitair rendement op overige bezittingen en een hoger tarief leidt tot aanzienlijk meer belasting bij gelijkblijvend vermogen.
Historische cijfers vermogensbelasting 2017–2025
De cijfers per jaar blijven relevant voor wie alsnog gebruik wil maken van de tegenbewijsregeling box 3 (terugwerkend tot 2017 voor wie tijdig bezwaar maakte, en in elk geval voor 2021 tot en met 2027). Hieronder de complete reeks.
Overzichtstabel forfaitaire rendementen en vrijstellingen per jaar
Jaar | Heffingsvrij vermogen | Spaargeld | Overige bezittingen | Schulden | Tarief |
|---|---|---|---|---|---|
2017 | € 25.000 | — | — | — | 30% |
2018 | € 30.000 | — | — | — | 30% |
2019 | € 30.360 | — | — | — | 30% |
2020 | € 30.846 | — | — | — | 30% |
2021 | € 50.000 | 0,01% | 5,69% | 2,46% | 31% |
2022 | € 50.650 | 0,00% | 5,53% | 2,28% | 31% |
2023 | € 57.000 | 0,92% | 6,17% | 2,46% | 32% |
2024 | € 57.000 | 1,44% | 6,04% | 2,61% | 36% |
2025 | € 57.684 | 1,37% | 5,88% | 2,70% | 36% |
2026 | € 59.357 | 1,28%* | 6,00% | 2,70%* | 36% |
Voorlopige percentages 2026 voor banktegoeden en schulden. Definitieve vaststelling begin 2027.
Vermogensbelasting 2017–2020: het oude forfait
In de jaren 2017 tot en met 2020 hanteerde de Belastingdienst een vermogensmix-systematiek die fundamenteel anders werkte dan het huidige stelsel. Niet de werkelijke verdeling van uw vermogen was leidend, maar een fictieve verdeling tussen sparen en beleggen die opliep met de hoogte van uw vermogen. Het tarief bedroeg 30% over het zo berekende forfaitaire rendement.
Op 24 december 2021 oordeelde de Hoge Raad in het Kerstarrest dat deze systematiek het discriminatieverbod en het eigendomsrecht schendt. Voor wie destijds tijdig bezwaar heeft gemaakt, of wiens aanslag op dat moment nog niet onherroepelijk vaststond, geldt rechtsherstel volgens de Wet rechtsherstel box 3. Voor belastingplichtigen die destijds géén bezwaar maakten en wier aanslag al onherroepelijk vaststond, loopt de zogenaamde massaalbezwaarplusprocedure. De uitkomst daarvan kan op een later moment alsnog aanleiding geven om een beroep op de tegenbewijsregeling te doen.
Vermogensbelasting 2021: het Kerstarrest
Voor 2021 gold formeel nog de oude rekenmethode met een heffingsvrij vermogen van € 50.000 en een tarief van 31%. Door het Kerstarrest van 24 december 2021 is met terugwerkende kracht de Wet rechtsherstel box 3 ingevoerd, die rekent met de werkelijke verdeling van het vermogen tussen spaargeld, overige bezittingen en schulden. De Belastingdienst past automatisch de voor de belastingplichtige gunstigste methode toe.
Vermogensbelasting 2022: rechtsherstel en spaarvariant
Ook 2022 valt onder de Wet rechtsherstel box 3. Het heffingsvrij vermogen bedroeg € 50.650 en het tarief 31%. Voor spaargeld werd een forfait van 0,00% gehanteerd: spaarders kregen daardoor in 2022 effectief geen heffing over hun banktegoeden. Voor beleggers gold een fors hoger forfait (5,53%), waardoor met name beleggers in 2022 (een slecht beursjaar) baat kunnen hebben bij de tegenbewijsregeling.
Vermogensbelasting 2023: start overbruggingswetgeving
Per 1 januari 2023 trad de Overbruggingswet box 3 in werking. Het heffingsvrij vermogen ging fors omhoog naar € 57.000 en het tarief naar 32%. De rekenmethode bleef gebaseerd op de werkelijke vermogensverdeling met forfaitaire rendementen. De Hoge Raad oordeelde in juni 2024 dat ook deze overbruggingswet discriminerend uitpakt zodra het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement.
Vermogensbelasting 2024: tarief naar 36%
Het tarief steeg per 1 januari 2024 van 32% naar 36%, terwijl het heffingsvrij vermogen op € 57.000 bleef staan (geen inflatiecorrectie). Het forfait voor overige bezittingen werd 6,04%. Vanaf dit jaar geldt een belastingschulddrempel van € 3.700 per persoon (later gewijzigd naar € 3.800 in 2025 en 2026).
Vermogensbelasting 2025: invoering Wet tegenbewijsregeling
Op 8 juli 2025 nam de Eerste Kamer de Wet tegenbewijsregeling box 3 aan. Sinds 1 juli 2025 kunnen belastingplichtigen via het formulier Opgaaf Werkelijk Rendement (OWR) aantonen dat hun werkelijke rendement lager was dan het forfaitaire rendement. De Belastingdienst gebruikt dan automatisch het lagere bedrag. Het heffingsvrij vermogen bedroeg € 57.684 en het tarief 36%.
Heeft u interesse in een Vermogensplan?
Vraag dan vrijblijvend een offerte aan voor een Vermogensplan.
Ons team van financiële planners neemt dan contact met u op om de mogelijkheden en kosten van een Vermogensplan met u te bespreken.
Hoe wordt uw box 3-belasting berekend? Stappenplan
De berekening van de vermogensbelasting verloopt sinds 2023 in vijf stappen.
Stap 1: peildatum en waardebepaling
Bepaal de waarde van uw bezittingen en schulden op 1 januari 2026. Dit is de peildatum. Wijzigingen in uw vermogen in de loop van het jaar tellen niet mee voor het fictieve rendement. Voor banktegoeden geldt het saldo per 1 januari, voor beursgenoteerde effecten de slotkoers van 31 december, en voor woningen de WOZ-waarde van 2026 (gebaseerd op waardepeildatum 1 januari 2025).
Stap 2: forfaitair rendement per categorie
Bereken het rendement per categorie
Categorie | Forfait 2026 | Voorbeeld |
|---|---|---|
Banktegoeden | 1,28% | € 100.000 spaargeld levert € 1.280 fictief rendement |
Overige bezittingen | 6,00% | € 100.000 beleggingen levert € 6.000 fictief rendement |
Schulden | 2,70% | € 100.000 schuld (na drempel) levert € 2.700 negatief rendement |
Stap 3: rendementsgrondslag en grondslag sparen en beleggen
Tel uw bezittingen op en trek de aftrekbare schulden (schulden minus drempel) ervan af. Het resultaat is uw rendementsgrondslag. Trek hiervan het heffingsvrij vermogen (€ 59.357 of € 118.714) af. Wat overblijft is de grondslag sparen en beleggen.
Stap 4: belastbaar rendement en tarief
Bereken het aandeel van uw grondslag sparen en beleggen in de rendementsgrondslag (uitgedrukt als percentage). Vermenigvuldig dit aandeel met uw belastbaar rendement uit stap 1. Het resultaat is uw voordeel uit sparen en beleggen, ofwel uw box 3-inkomen. Hierover betaalt u 36% inkomstenbelasting.
Rekenvoorbeeld € 500.000 vermogen
Stel: u bent alleenstaand en u heeft op 1 januari 2026 € 200.000 spaargeld, € 350.000 beleggingen en € 50.000 schuld.
Stap | Berekening | Bedrag |
|---|---|---|
Rendement spaargeld | € 200.000 × 1,28% | € 2.560 |
Rendement beleggingen | € 350.000 × 6,00% | € 21.000 |
Aftrekbare schuld | € 50.000 − € 3.800 drempel | € 46.200 |
Negatief rendement schuld | € 46.200 × 2,70% | € 1.247 |
Belastbaar rendement | € 2.560 + € 21.000 − € 1.247 | € 22.313 |
Bezittingen | € 200.000 + € 350.000 | € 550.000 |
Rendementsgrondslag | € 550.000 − € 46.200 | € 503.800 |
Grondslag sparen en beleggen | € 503.800 − € 59.357 | € 444.443 |
Aandeel | € 444.443 / € 503.800 | 88,22% |
Voordeel uit sparen en beleggen | € 22.313 × 88,22% | € 19.684 |
Box 3-belasting | € 19.684 × 36% | € 7.086 |
De effectieve belastingdruk in dit voorbeeld bedraagt € 7.086 op € 550.000 bezittingen, ofwel 1,29%.
Effectieve belastingdruk naar vermogensomvang
De effectieve belastingdruk in box 3 hangt sterk af van de samenstelling van het vermogen. Onderstaande tabel toont de te betalen vermogensbelasting in 2026 voor een alleenstaande zonder schulden, bij drie samenstellingen.
Vermogen | 100% spaargeld | 50% spaar / 50% beleggingen | 100% beleggingen |
|---|---|---|---|
€ 250.000 | € 878 (0,35%) | € 2.498 (1,00%) | € 4.118 (1,65%) |
€ 500.000 | € 2.030 (0,41%) | € 5.774 (1,15%) | € 9.518 (1,90%) |
€ 1.000.000 | € 4.334 (0,43%) | € 12.326 (1,23%) | € 20.318 (2,03%) |
€ 2.500.000 | € 11.246 (0,45%) | € 31.982 (1,28%) | € 52.718 (2,11%) |
€ 5.000.000 | € 22.766 (0,46%) | € 64.742 (1,29%) | € 106.718 (2,13%) |
Deze tabel maakt drie patronen zichtbaar. Ten eerste loopt de effectieve druk bij 100% beleggingen op tot ruim 2,1% van het totale vermogen, vergeleken met 0,4% à 0,5% bij 100% spaargeld. Ten tweede verliest het heffingsvrij vermogen bij grotere vermogens snel zijn betekenis: vanaf € 1 miljoen daalt de effectieve druk maar marginaal verder. Ten derde betaalt een belegger met € 1 miljoen ruim viermaal zoveel vermogensbelasting als een spaarder met hetzelfde bedrag.
Waarom beleggingsvermogen zwaarder wordt belast dan spaargeld
Het verschil komt door de forfaitaire systematiek. Bij banktegoeden gaat de Belastingdienst uit van 1,28% rendement, bij overige bezittingen van 6,00%. Voor 2026 betekent dit: ook als uw aandelenportefeuille in 2026 dezelfde rente oplevert als een spaarrekening (of zelfs verlies maakt), wordt u belast alsof u 6,00% rendement maakte. De tegenbewijsregeling biedt hier in principe een uitweg, maar in de praktijk blijkt voor beursgenoteerde aandelen het werkelijke rendement (inclusief koerswinst) vaak alsnog hoger dan het forfait.
Wat valt er wel en niet onder box 3?
Bezittingen in box 3
In box 3 valt al uw vermogen dat niet in box 1 of box 2 wordt belast. Dat omvat banktegoeden (spaarrekeningen, deposito's, betaalrekeningen), beleggingen (aandelen, obligaties, beleggingsfondsen, ETF's, certificaten), cryptovaluta, vorderingen op derden, niet-zelfbewoonde woningen (tweede huis, beleggingspanden), bouwgrond, lijfrente die niet onder box 1 valt en kapitaalverzekeringen die niet zijn vrijgesteld.
Uitgezonderde bezittingen
Niet in box 3 vallen: de eigen woning (box 1), aanmerkelijk belang vanaf 5% in een vennootschap (box 2), pensioenrechten, lijfrenten die voldoen aan box 1-voorwaarden, inboedel en eigen auto, kunst en wetenschapsobjecten die niet hoofdzakelijk als belegging worden gehouden, en bossen, natuurterreinen en landgoederen onder de Natuurschoonwet 1928.
Aftrekbare schulden en de drempel
Aftrekbaar zijn uw schulden voor zover die uitstijgen boven een drempel van € 3.800 per persoon (€ 7.600 voor fiscale partners). Onder schulden vallen onder meer consumptief krediet, persoonlijke leningen, een negatief banksaldo en een creditcardschuld, voor zover ze gezamenlijk boven de drempel uitkomen. De hypotheekschuld op uw eigen woning is niet aftrekbaar in box 3, omdat die in box 1 wordt verwerkt. Nederlandse belastingschulden zijn op enkele uitzonderingen na ook niet aftrekbaar.
Vrijstellingen 2026
Boven op het algemene heffingsvrij vermogen van € 59.357 gelden enkele specifieke vrijstellingen.
Vrijstelling | Bedrag 2026 (alleenstaand) | Bedrag 2026 (fiscale partners) |
|---|---|---|
Groene beleggingen | € 26.715 | € 53.430 |
Contant geld | € 672 | € 1.344 |
Heffingskorting groene beleggingen | 0,1% van vrijgesteld bedrag | 0,1% van vrijgesteld bedrag |
De vrijstelling en heffingskorting voor groene beleggingen worden volgens de huidige wetgeving per 1 januari 2028 afgeschaft, na een tussenstap in 2027 waarbij de vrijstelling daalt naar € 200 per persoon. Het overgangsrecht is op dit moment nog onderwerp van politieke discussie; aanpassingen vóór 2028 zijn niet uitgesloten.
Tegenbewijsregeling box 3: werkelijk rendement opgeven
Aanleiding: arresten Hoge Raad 2021 en 2024
Op 24 december 2021 wees de Hoge Raad in het Kerstarrest het toenmalige box 3-stelsel af wegens strijd met het discriminatieverbod en het eigendomsrecht. In juni 2024 herhaalde de Hoge Raad dit oordeel voor de overbruggingswetgeving die sinds 2023 geldt: ook deze systematiek schendt rechten van belastingplichtigen wanneer het forfaitaire rendement hoger uitvalt dan het werkelijke rendement.
Hoe werkt de Wet tegenbewijsregeling box 3
De Wet tegenbewijsregeling box 3 (in werking getreden op 1 juli 2025) biedt belastingplichtigen de mogelijkheid om aan te tonen dat hun werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement. Als dat zo is, betaalt u box 3-belasting over het werkelijke rendement in plaats van over het forfait. Het werkt asymmetrisch: ligt uw werkelijke rendement hoger dan het forfait, dan blijft het forfait leidend en betaalt u nooit méér.
Formulier Opgaaf Werkelijk Rendement (OWR)
Voor de jaren 2017 tot en met 2024 doet u opgave via het formulier Opgaaf Werkelijk Rendement (OWR), beschikbaar via Mijn Belastingdienst. U kunt dit formulier alleen invullen na ontvangst van een uitnodigingsbrief van de Belastingdienst. Vanaf belastingjaar 2025 zit de mogelijkheid ingebouwd in de reguliere aangifte inkomstenbelasting; de Belastingdienst kiest automatisch de voor u voordeligste methode.
Wat telt mee als werkelijk rendement
Het werkelijke rendement bestaat uit reguliere voordelen en vermogensaanwas. Reguliere voordelen omvatten ontvangen rente op spaargeld, dividenden op aandelen, huurinkomsten en pacht. Vermogensaanwas omvat zowel gerealiseerde als ongerealiseerde waardeveranderingen: koerswinst en koersverlies op aandelen, waardestijging van uw vakantiewoning, koersresultaat op cryptovaluta. Voor een tweede woning die u zelf gebruikt geldt vanaf 2026 een bijtelling voor eigen gebruik. De Belastingdienst hanteert hiervoor verschillende methoden om dit voordeel te bepalen, waaronder een methode op basis van een percentage van de WOZ-waarde naar rato van het aantal eigen-gebruikdagen. Welke methode in uw situatie het beste past, hangt af van het type onroerende zaak en het gebruik.
Beperkingen: geen heffingsvrij vermogen, geen kostenaftrek, geen verliesverrekening tussen jaren
Bij toepassing van de tegenbewijsregeling vervalt het heffingsvrij vermogen volledig. Dit volgt rechtstreeks uit de uitspraken van de Hoge Raad en is door de Belastingdienst formeel bevestigd. Daarnaast zijn aan- en verkoopkosten, beheerkosten en advieskosten niet aftrekbaar. Alleen rente op schulden in box 3 is aftrekbaar. Verliesverrekening tussen verschillende belastingjaren is niet toegestaan en er wordt geen rekening gehouden met inflatie. Een negatief werkelijk rendement leidt nooit tot teruggave; de heffing is in dat geval nul.
Wanneer is opgave aantoonbaar voordelig
Voor spaarders is de tegenbewijsregeling zelden voordelig: de werkelijke spaarrente ligt vaak dicht bij of boven het forfait van 1,28%, en het verlies van het heffingsvrij vermogen weegt zwaar. Voor beleggers is de regeling kansrijk in jaren met negatief beurssentiment (zoals 2022) of bij portefeuilles met substantieel cashpercentage. Voor verhuurders van vastgoed is de regeling vooral aantrekkelijk in jaren waarin de WOZ-waarde van het pand daalt of stabiel blijft. Een individuele berekening per jaar is altijd nodig.
Welke jaren komen in aanmerking
Voor 2017 tot en met 2020 staat de tegenbewijsregeling open voor wie tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag of wiens aanslag op 24 december 2021 nog niet onherroepelijk vaststond. Voor wie destijds geen bezwaar maakte en wier aanslag al wel onherroepelijk was, loopt de zogenaamde massaalbezwaarplusprocedure. De uitkomst van die procedure kan op een later moment alsnog ruimte bieden om een beroep op de tegenbewijsregeling te doen. Voor de jaren 2021 tot en met 2027 (tot het nieuwe stelsel ingaat) staat de tegenbewijsregeling open voor alle belastingplichtigen, ongeacht of zij destijds bezwaar maakten.
Peildatumplanning: wat mag wel en niet rond 1 januari
De peildatum als enig meetmoment
In het huidige stelsel telt uitsluitend uw vermogenspositie op 1 januari mee voor de heffing over dat hele jaar. Wat u op 2 januari koopt of verkoopt, heeft pas effect op de heffing van het volgende jaar. Deze peildatumsystematiek vervalt met de invoering van het nieuwe stelsel per 2028, omdat dan over het werkelijke rendement gedurende het hele jaar wordt geheven.
Toegestane planningsacties
Een aantal planningsacties is volledig toegestaan en kan de heffing structureel verlagen. Het vooruitbetalen van de premie ziektekostenverzekering voor het hele kalenderjaar verlaagt uw vermogen op 1 januari met enkele duizenden euro's en levert vaak een korting bij de zorgverzekeraar op. Het aflossen van een creditcardschuld vóór 31 december verlaagt uw vermogen, terwijl creditcardschulden niet aftrekbaar zijn. Grotere uitgaven (auto, verbouwing, deelaflossing hypotheek) kunt u beter vóór de jaarwisseling realiseren dan erna.
De arbitrageperiode van drie maanden
Het tijdelijk verschuiven van vermogen tussen categorieën rond de peildatum (bijvoorbeeld beleggingen verkopen op 30 december en op 2 januari opnieuw kopen) is wettelijk aangemerkt als peildatumarbitrage. De wet hanteert een arbitrageperiode van drie maanden vóór én drie maanden na 1 januari: bij transacties binnen die periode waarmee vermogen tussen categorieën wordt verschoven, kan de Belastingdienst deze voor de heffing terugrekenen naar de oorspronkelijke categorie. U kunt tegenbewijs leveren als u kunt onderbouwen dat de transactie niet was gericht op het verlagen van de heffing maar op een zakelijke of persoonlijke doelstelling.
Praktische tips van Jos Leeser
Jos Leeser: "Het allerbelangrijkste is dat planning rondom de peildatum niets bijzonders hoeft te zijn, maar gewoon een kwestie van slim plannen wat u toch al van plan was. Een gezin dat eens per twee jaar de zorgpremie vooruit betaalt, scheelt al snel € 6.000 vermogen op 1 januari. Bij een effectieve druk van rond de 1,3% bij gemengd vermogen is dat structureel zo'n € 80 per jaar. Op zichzelf geen schokkend bedrag, maar wel structureel en zonder enig risico. Voor wie ondernemer is, kan het vooruitbetalen van zakelijke verplichtingen vanuit privé naar de holding eenzelfde effect hebben. Kijk ook altijd naar het tijdstip van eventuele schenkingen aan kinderen: een schenking eind december verlaagt uw vermogen op 1 januari én vermindert in de toekomst de heffing erfbelasting."
Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?
Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?
Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.
Vermogensbelasting en grotere vermogens: specifieke aandachtspunten
Voor vermogens vanaf circa € 500.000 vrij belegbaar wordt de vermogensbelasting een serieus onderdeel van het rendement op vermogen. Een aantal aandachtspunten verdient specifieke aandacht.
Fiscale druk op beleggingsvermogen boven € 500.000
Bij € 1 miljoen aan beleggingen bedraagt de jaarlijkse heffing in 2026 ruim € 20.000. Bij een verwacht netto rendement van 5% (na kosten) is dat ongeveer 40% van het rendement. Bij € 2,5 miljoen loopt dat op tot ruim € 52.000 per jaar; bij € 5 miljoen tot ruim € 100.000. De effectieve druk op beleggingsvermogen ligt boven € 1 miljoen consistent rond 2% van het vermogen, ongeacht hoeveel verder dat vermogen toeneemt. Het gevolg is dat box 3 bij grotere vermogens een veel groter beslag legt dan box 2 of box 1 op een vergelijkbare bron van inkomen.
Box 3 versus box 2: spaar-BV, open fonds voor gemene rekening en familiefonds
Voor wie vermogen heeft met een laag werkelijk rendement (typisch spaargeld, soms ook obligatieportefeuilles) wordt regelmatig overwogen om dit vermogen onder te brengen in een vennootschap, zodat het wordt belast in box 2 in plaats van in box 3. In box 2 wordt het werkelijke rendement van een vennootschap belast met vennootschapsbelasting (in 2026: 19% tot € 200.000 winst, 25,8% daarboven), gevolgd door box 2-inkomstenbelasting bij uitkering naar privé (in 2026: 24,5% tot € 68.843, 31% daarboven).
Globaal geldt dat een box 2-structuur fiscaal voordeliger kan uitpakken zodra het werkelijke rendement op vermogen aanmerkelijk lager is dan het forfaitaire rendement van box 3 (6,00% voor overige bezittingen in 2026). De omslagpunten verschillen sterk per situatie en zijn afhankelijk van de vermogenssamenstelling, het verwachte rendement, de schenk- en erfplanning en de ondernemingscontext. Het oprichten van een spaar-BV vraagt om notariële tussenkomst en brengt jaarlijkse administratieve verplichtingen met zich mee.
Het open fonds voor gemene rekening (OFGR) wordt traditioneel als alternatief voor de spaar-BV genoemd. Per 1 januari 2025 zijn de fiscale kwalificatieregels voor het fonds voor gemene rekening echter ingrijpend gewijzigd door de Wet aanpassing fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen. Een fonds is sindsdien alleen nog vennootschapsbelastingplichtig (en daarmee dus buiten box 3) wanneer het kwalificeert als beleggingsfonds in de zin van de Wet op het financieel toezicht én de deelgerechtigdheden vrij verhandelbaar zijn. De oude praktijk waarin een eenvoudig OFGR met enkele familieparticipanten kon worden opgezet, is daarmee veel beperkter geworden. Wie hier in 2026 over nadenkt, doet er verstandig aan zich grondig fiscaal te laten adviseren over de huidige kwalificatie-eisen en de gevolgen voor bestaande structuren.
Met de invoering van het nieuwe box 3-stelsel per 2028 verandert deze afweging fundamenteel: zodra in box 3 ook het werkelijke rendement wordt belast, vervalt voor zuiver beleggingsvermogen een belangrijk deel van het voordeel van een box 2-structuur.
Aftrekbaarheid vermogensbeheerkosten
In het huidige forfaitaire stelsel zijn vermogensbeheerkosten in box 3 niet aftrekbaar: de heffing is gebaseerd op een forfait dat verondersteld wordt al rekening te houden met kosten. Bij toepassing van de tegenbewijsregeling zijn vermogensbeheerkosten ook niet aftrekbaar; alleen rente op schulden in box 3 mag in mindering worden gebracht. In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (per 2028) zijn vermogensbeheerkosten daarentegen wel aftrekbaar, mits zij direct samenhangen met de verwerving van het rendement. Dit is een aanzienlijke verbetering voor cliënten met professioneel beheer.
Vastgoed in box 3: WOZ, verhuur en eigen gebruik
Voor verhuurd vastgoed in box 3 geldt de WOZ-waarde als uitgangspunt, met toepassing van de leegwaarderatio voor woningen met huurbescherming. Per 2026 zijn twee aanpassingen doorgevoerd: bij een huurprijs die niet marktconform is (typisch verhuur aan familieleden) vervalt de leegwaarderatio volledig, en wanneer de werkelijke waarde 10% of meer afwijkt van de WOZ-waarde met leegwaarderatio mag de werkelijke waarde worden gehanteerd. Een onderbouwd taxatierapport is daarvoor vereist.
Per 1 januari 2026 daalt het overdrachtsbelastingtarief voor woningen die niet als hoofdverblijf worden gebruikt van 10,4% naar 8%. De leegwaarderatio wordt per 2027 volledig afgeschaft, waarna de volledige WOZ-waarde meetelt. In het nieuwe stelsel per 2028 vervalt de hele forfaitaire systematiek voor vastgoed: huurinkomsten worden direct belast (na aftrek van werkelijke kosten), en waardeontwikkeling wordt belast bij verkoop via een vermogenswinstbelasting.
Vermogensbelasting 2028: het nieuwe box 3-stelsel op werkelijk rendement
Wet werkelijk rendement box 3: hoofdlijnen
Op 12 februari 2026 nam de Tweede Kamer het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aan. De Eerste Kamer moet zich er nog over uitspreken. Het kabinet stuurt op invoering per 1 januari 2028, maar deze datum is niet definitief: de behandeling in de Eerste Kamer is gaande en de minister van Financiën heeft inmiddels aangegeven met aanvullende wijzigingen te komen, omdat de huidige vorm op weerstand stuit. Of het nieuwe stelsel daadwerkelijk per 2028 wordt ingevoerd, en in welke vorm, is op dit moment nog niet zeker. Wat hier wordt beschreven is dus de richting van het wetsvoorstel zoals dat nu voorligt.
Vermogensaanwasbelasting als hoofdregel
De hoofdregel in het wetsvoorstel is een vermogensaanwasbelasting: jaarlijks wordt belasting geheven over alle reguliere voordelen (rente, dividend, huur, pacht) plus de waardeontwikkeling van uw vermogen, zowel gerealiseerd als ongerealiseerd. Een aandelenbelang dat in een jaar stijgt van € 100.000 naar € 115.000 levert € 15.000 belastbaar resultaat op, ook zonder dat u één aandeel heeft verkocht. Verliezen mogen onbeperkt voorwaarts verrekend worden met toekomstig box 3-resultaat, met een drempel van € 500 per jaar.
Vermogenswinstbelasting voor vastgoed en niet-beursgenoteerde aandelen
Voor twee categorieën geldt een uitzondering op de hoofdregel: onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen worden belast volgens een vermogenswinstbelasting. De waardeontwikkeling wordt dan pas belast bij realisatie (verkoop). Voor vastgoed dat al in bezit is bij invoering, geldt de WOZ-waarde per 1 januari 2028 als beginwaarde voor de berekening van de toekomstige vermogenswinst. Bij verhuur van een woning minder dan 90% van het jaar geldt jaarlijks een bijtelling van 3,35% van de WOZ-waarde.
Tarief, heffingvrij inkomen en verliesverrekening
Het voorgestelde tarief bedraagt 36%. In plaats van het huidige heffingsvrij vermogen geldt straks een heffingvrij inkomen (resultaat) van € 1.800 per persoon per jaar. Verliezen mogen onbeperkt vooruit verrekend worden binnen box 3 (drempel € 500). Verliesverrekening met andere boxen of met voorgaande jaren is niet mogelijk.
Impact voor vermogende beleggers
De omzetting heeft drie wezenlijke gevolgen voor beleggers met substantieel vermogen. Ten eerste betekent vermogensaanwasbelasting dat u jaarlijks belasting betaalt over papieren winst, ook zonder dat u liquiditeit heeft gegenereerd door verkoop. Voor portefeuilles met sterk geconcentreerde posities of weinig courante effecten kan dat liquiditeitskrap opleveren. Ten tweede worden vermogensbeheerkosten aftrekbaar, wat voor cliënten met professioneel beheer (typisch fee 0,3% à 1% per jaar over het beheerd vermogen) een aanzienlijke verbetering is. Ten derde leiden slechte beursjaren in het nieuwe stelsel tot lagere of geen heffing, in tegenstelling tot het huidige forfait.
Voorbereiding op het nieuwe stelsel
Wie aanzienlijk vermogen heeft, doet er verstandig aan om in 2026 en 2027 al een aantal voorbereidingen te treffen. Houd een actuele administratie bij van aankoopkosten, dividenden, huurinkomsten en kosten per vermogensbestanddeel; deze gegevens worden bij invoering relevant. Beoordeel de samenstelling van uw portefeuille op gevoeligheid voor de overgang: posities met grote latente waardestijgingen kunnen overwegen om vóór invoering (deels) te realiseren, omdat de beginwaarde per de invoeringsdatum voor onroerende zaken en startup-aandelen mede de toekomstige heffing bepaalt. Voor beleggingsfondsen en aandelen geldt dit niet, daar wordt jaarlijks de actuele waarde belast. Overweeg of een box 2-structuur (spaar-BV, OFGR) onder het nieuwe regime nog meerwaarde biedt; voor zuiver beleggingsvermogen vermindert dat voordeel waarschijnlijk fors.
Veelgestelde vragen
Wat is vermogensbelasting?
Vermogensbelasting is in Nederland sinds 2001 geen zelfstandige belasting meer. De feitelijke heffing op vermogen heet officieel vermogensrendementsheffing en valt onder box 3 van de inkomstenbelasting. U betaalt geen belasting over uw vermogen zelf, maar over een (forfaitair) rendement op dat vermogen tegen een tarief van 36%.
Wat is het heffingsvrij vermogen in 2026?
Het heffingsvrij vermogen bedraagt in 2026 € 59.357 per persoon en € 118.714 voor fiscale partners gezamenlijk. Tot dit bedrag betaalt u geen vermogensbelasting in box 3.
Wat is het tarief in box 3 in 2026?
Het tarief in box 3 bedraagt in 2026 36% over het belastbaar rendement (het voordeel uit sparen en beleggen). Dit tarief is sinds 2024 ongewijzigd.
Wat is de peildatum voor vermogensbelasting?
De peildatum voor box 3 is 1 januari van het belastingjaar. Uw vermogen op die datum bepaalt de heffing voor het hele jaar. Voor het belastingjaar 2026 is dat dus 1 januari 2026.
Hoeveel vermogensbelasting betaal ik over € 100.000?
Een alleenstaande met € 100.000 spaargeld betaalt in 2026 ongeveer € 187 box 3-belasting. Bij € 100.000 in beleggingen is dat ongeveer € 879. De Belastingdienst hanteert in beide gevallen een effectieve druk van respectievelijk 0,19% en 0,88% van het vermogen.
Hoeveel vermogensbelasting betaal ik over € 250.000?
Een alleenstaande met € 250.000 vermogen betaalt in 2026 € 878 box 3-belasting bij volledig spaargeld, € 2.498 bij een 50/50-verdeling spaargeld/beleggingen en € 4.118 bij volledig beleggingen.
Hoeveel vermogensbelasting betaal ik over € 500.000?
Een alleenstaande met € 500.000 vermogen betaalt in 2026 € 2.030 bij volledig spaargeld, € 5.774 bij een 50/50-verdeling en € 9.518 bij volledig beleggingen.
Hoeveel vermogensbelasting betaal ik over € 1 miljoen?
Een alleenstaande met € 1 miljoen vermogen betaalt in 2026 € 4.334 bij volledig spaargeld, € 12.326 bij een 50/50-verdeling en € 20.318 bij volledig beleggingen.
Wanneer moet ik vermogensbelasting betalen?
U betaalt vermogensbelasting via de aangifte inkomstenbelasting over het belastingjaar. Voor 2026 doet u die aangifte in 2027. De Belastingdienst kan ook gedurende het jaar al een voorlopige aanslag opleggen.
Wanneer is de tegenbewijsregeling box 3 voordelig?
De tegenbewijsregeling is voordelig wanneer uw werkelijke rendement (rente, dividend, huur, gerealiseerde en ongerealiseerde waardeveranderingen samen) lager uitvalt dan het forfaitaire rendement. In de praktijk geldt dat vooral voor beleggers in jaren met negatief beurssentiment en voor verhuurders bij dalende of stabiele WOZ-waarden. Voor spaarders is de regeling zelden voordelig, omdat het verlies van het heffingsvrij vermogen zwaarder weegt dan het verschil tussen werkelijke spaarrente en forfait.
Geldt het heffingsvrij vermogen ook bij werkelijk rendement?
Nee. De Hoge Raad heeft bepaald dat bij toepassing van de tegenbewijsregeling box 3 geen heffingsvrij vermogen geldt. Het werkelijke rendement wordt over het hele vermogen berekend.
Wat verandert er aan box 3 in 2028?
Het kabinet stuurt op invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 per 1 januari 2028. De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel op 12 februari 2026 aangenomen; de Eerste Kamer moet zich er nog over uitspreken en aanvullende wijzigingen zijn aangekondigd. Volgens het huidige voorstel wordt de hoofdregel een vermogensaanwasbelasting waarbij jaarlijks belasting wordt geheven over reguliere voordelen plus alle waardeontwikkeling (gerealiseerd en ongerealiseerd). Voor onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen geldt een vermogenswinstbelasting bij verkoop. Het tarief blijft 36% en er komt een heffingvrij inkomen van € 1.800 per persoon per jaar.
Telt mijn eigen woning mee voor vermogensbelasting?
Nee. Uw eigen woning valt in box 1 en niet in box 3. Ook bij invoering van het nieuwe stelsel per 2028 blijft de eigen woning in box 1.
Welke schulden mag ik aftrekken in box 3?
Schulden zijn aftrekbaar voor zover zij uitstijgen boven een drempel van € 3.800 per persoon (€ 7.600 voor fiscale partners) in 2026. Daaronder vallen onder meer consumptief krediet, persoonlijke leningen, een negatief banksaldo en een creditcardschuld. Niet aftrekbaar zijn de hypotheekschuld op uw eigen woning (valt in box 1) en Nederlandse belastingschulden (op enkele uitzonderingen na).
Moet ik over mijn spaargeld ook vermogensbelasting betalen?
Ja, voor zover uw totale vermogen boven het heffingsvrij vermogen van € 59.357 (€ 118.714 voor fiscale partners) uitkomt. Voor banktegoeden geldt in 2026 een forfaitair rendement van 1,28%, waarover u 36% belasting betaalt.
door Joost van Löben Sels
Joost heeft veel ervaring met het adviseren van vermogende cliënten op het gebied van beleggen. Hij heeft onder andere gewerkt als beleggingsadviseur bij SNS Bank. Bij Vermogensbeheer.nl begeleidt hij vermogende particulieren, ondernemers, stichtingen en instellingen die op zoek zijn naar een goede en passende vermogensbeheerder. Joost is een ondernemer in hart en nieren en is daardoor ook goed in staat om ondernemers te adviseren bij hun beleggingsvraagstuk.
Gerelateerd:
- Estate planning: geef uw vermogen door zoals ú het wilt - 20 maart 2026
- Schenkbelasting en belastingvrij schenken in 2026: regels, vrijstellingen en tarieven - 24 april 2026
- Hoe presteert uw vermogensbeheerder? - 2 april 2026
Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?
Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?
Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.