Beleggen in aandelen: zo bouwt u een portefeuille vanaf € 100.000
Beleggen in aandelen begint praktisch bij een beleggingsrekening en een order, maar vanaf een bedrag van € 100.000 draait het resultaat vrijwel volledig om vier keuzes: welk deel van uw vermogen u in aandelen belegt, hoe u die aandelen spreidt over ondernemingen, sectoren en regio's, wat u per jaar kwijt bent aan kosten en belasting, en wie de portefeuille beheert. De aankoop zelf is in enkele minuten geregeld. De vier keuzes daaromheen bepalen of u over tien jaar tevreden terugkijkt.

Hoe koopt u aandelen?
U koopt aandelen via een beleggingsrekening bij een bank of een online broker: u opent een rekening, stort geld, zoekt het aandeel op via de ISIN-code en plaatst een order. Verkopen verloopt technisch identiek. Vier punten verdienen daarbij aandacht.
Vergunning en bewaring. Controleer de partij in het AFM-register voordat u geld overmaakt. Uw effecten worden gehouden via een bewaarinstelling of beleggersgiro en vallen daardoor buiten het vermogen van de instelling: bij faillissement blijven de stukken van u. Het beleggerscompensatiestelsel dekt daarnaast vorderingen tot € 20.000 per persoon per instelling. Dat is een vangnet voor situaties waarin beleggingen of gelden niet kunnen worden teruggegeven, bijvoorbeeld door een tekort in de vermogensscheiding, en geen dekking tegen koersverlies. Bij een buitenlandse broker kan het beleggerscompensatiestelsel van het vestigingsland van toepassing zijn.
Het juiste instrument en de juiste handelsplaats. Controleer zowel het instrument zelf, bijvoorbeeld via de ISIN, als de handelsplaats en de valuta. Hetzelfde instrument kan op meerdere handelsplaatsen worden verhandeld, met verschillen in liquiditeit, spread en handelsvaluta. Kiest u een minder liquide handelsplaats, dan betaalt u structureel een hogere spread.
Het ordertype. Een marktorder wordt direct uitgevoerd tegen de best beschikbare koers: zekerheid over de uitvoering, niet over de prijs. Een limietorder wordt alleen uitgevoerd tegen uw limiet of beter: zekerheid over de prijs, niet over de uitvoering. Naarmate uw order groot is ten opzichte van de beschikbare liquiditeit, wordt prijscontrole belangrijker en ligt een limietorder meer voor de hand. Een grote marktorder kan op verschillende prijsniveaus worden uitgevoerd; vergelijk de omvang met het gemiddelde dagvolume en spreid zo nodig over meerdere dagen.
De kosten van de transactie. Naast de transactievergoeding, meestal een vast bedrag plus een percentage, betaalt u de spread, waarvan bij aankoop effectief ongeveer de helft. Bij een order van € 25.000 in een aandeel met een spread van 0,50% gaat het om ongeveer € 63, tegenover ongeveer € 6 bij een spread van 0,05%. Die spread staat op geen enkele afrekening. Handelt u in vreemde valuta, dan komen daar valutakosten bij.
Bij de forfaitaire box 3-berekening is 1 januari de peildatum. Kiest u voor de berekening op basis van werkelijk rendement, dan tellen inkomsten en waardeveranderingen gedurende het jaar mee. Verkoop kent daarbij geen afzonderlijke heffing over de gerealiseerde koerswinst. Wel kost verkopen om direct anders te herbeleggen twee keer transactiekosten en twee keer spread. Overweeg of herbalanceren ook kan via nieuwe stortingen of binnenkomend dividend.
Wat verandert er vanaf € 100.000?
Vanaf ongeveer € 100.000 verschuift beleggen van een reeks losse aankopen naar het onderhouden van een portefeuille. Niet omdat de markt zich anders gedraagt bij grotere bedragen, maar omdat de gevolgen van elke keuze in euro's zichtbaar worden.
Van losse transactie naar portefeuilleconstructie
Bij enkele duizenden euro's is de vraag welk aandeel u koopt. Bij enkele honderdduizenden euro's is de vraag hoe de posities zich tot elkaar verhouden.
Twintig aandelen die stuk voor stuk goed zijn geselecteerd maar allemaal in dezelfde sector, regio en valuta zitten, vormen samen een geconcentreerde portefeuille. Het risico wordt niet bepaald door de kwaliteit van de afzonderlijke posities, maar door de mate waarin ze op hetzelfde moment dezelfde kant op bewegen. Daar komt onderhoud bij: posities groeien uit hun oorspronkelijke gewicht en dividend moet worden herbelegd. Zonder vastgelegd beleid drijft de portefeuille geleidelijk weg van de risicoverdeling die u voor ogen had.
Fouten en koersdalingen worden groter in euro's
Een daling van 35% is procentueel hetzelfde bij elk vermogen. In euro's is het verschil groot: bij € 150.000 gaat het om € 52.500, bij € 400.000 om € 140.000 en bij € 750.000 om € 262.500.
Dat verschil bepaalt of u het volhoudt. Beleggers die tijdens een scherpe daling uitstappen, doen dat zelden omdat hun analyse is veranderd, maar omdat het verlies in euro's groter is dan waar zij vooraf rekening mee hadden gehouden. En wie tijdens een daling verkoopt, mist doorgaans ook het herstel. Daarom hoort de vraag hoeveel risico u kunt verdragen vooraf beantwoord te worden in euro's, niet in percentages.
Kosten, fiscaliteit en beheer gaan zwaarder wegen
Een verschil van 0,75 procentpunt in jaarlijkse kosten kost u bij € 25.000 ongeveer € 190 per jaar. Bij € 400.000 is dat € 3.000 per jaar, en met samengestelde werking loopt het verschil over tien jaar aanzienlijk verder op.
Ook fiscaal verandert het beeld. Het heffingsvrij vermogen in box 3 bedraagt in 2026 € 59.357 per persoon. Bij € 100.000 is dat een substantieel deel van de grondslag; bij € 750.000 is het marginaal en nadert de effectieve heffing het volle tarief over het forfaitaire rendement. En het beheer vraagt meer: een portefeuille met voldoende spreiding, een vastgelegd herbalanceringsbeleid en een fiscale planning is niet iets wat u er in een uur per kwartaal bij doet.
Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?
Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?
Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.
Welk deel van uw vermogen kunt u in aandelen beleggen?
Het antwoord volgt uit drie vragen, in deze volgorde: wanneer heeft u het geld nodig, hoeveel waardedaling kunt u dragen zonder dat uw plannen in gevaar komen, en hoe ziet de rest van uw vermogen eruit.
Beleggingshorizon en toekomstige onttrekkingen
Over korte perioden is de kans op een grote negatieve aandelenuitkomst relatief groot. Een langere horizon geeft meer tijd om tussentijdse dalingen op te vangen, maar maakt verlies niet onmogelijk. Geld dat u binnen vijf jaar nodig heeft, hoort in de regel niet in aandelen. Niet omdat de kans op verlies dan zoveel groter is, maar omdat u geen tijd heeft om een daling uit te zitten.
Een bruikbare methode is om uw geplande onttrekkingen expliciet te maken en vooraf af te zonderen. Wie de komende acht jaar € 30.000 per jaar wil onttrekken, zet € 240.000 apart in liquide en vastrentende middelen. Wat overblijft, heeft daadwerkelijk een lange horizon.
Risicobereidheid en risicodraagkracht
Risicodraagkracht is objectief: hoeveel waardedaling kan uw vermogen opvangen zonder dat uw doelen onhaalbaar worden. Iemand met € 1.200.000 en een uitgavenpatroon dat ook bij € 800.000 houdbaar is, heeft die ruimte. Iemand die € 400.000 nodig heeft om een pensioentekort te dekken en € 450.000 bezit, niet.
Risicobereidheid is subjectief: hoeveel schommeling u kunt verdragen zonder van uw plan af te wijken. Die bereidheid is lastig te meten met een vragenlijst, omdat het antwoord in een stijgende markt anders uitvalt dan in een dalende. De beste toets is een concrete vraag in euro's: als deze portefeuille over twaalf maanden € 140.000 minder waard is, wat doet u dan.
De laagste van de twee is bepalend. Grote draagkracht compenseert geen beperkte bereidheid, omdat een portefeuille die u niet volhoudt uiteindelijk toch wordt verkocht.
Spaargeld, vastgoed en ondernemingsvermogen
Het aandelenpercentage hoort te worden bepaald over uw totale vermogen, niet over het bedrag dat toevallig op de beleggingsrekening staat. Wie € 300.000 belegt, € 200.000 spaart en een verhuurd appartement van € 400.000 bezit, heeft geen portefeuille van 100% aandelen maar een vermogensverdeling van ongeveer een derde aandelen, een vijfde liquide middelen en ruim veertig procent vastgoed. Over de rol van vastgoed daarin leest u meer in het artikel investeren in vastgoed.
Voor ondernemers speelt dit sterker. Wie een substantieel deel van zijn vermogen in de eigen onderneming heeft zitten, loopt daar al een geconcentreerd risico. De beleggingsportefeuille kan die concentratie compenseren in plaats van vergroten. En voor het deel dat pensioen moet worden geldt dat een stabiele pensioen- of lijfrente-uitkering de behoefte aan vastrentende beleggingen binnen het vrij belegbare vermogen kan verkleinen: wie een aanzienlijk pensioen heeft opgebouwd, kan dat deel doorgaans offensiever inrichten.
Twee voorbeeldsituaties bij verschillende doelen
De onderstaande situaties zijn illustratief en vervangen geen persoonlijke analyse.
Een DGA van 58 jaar die zijn onderneming heeft verkocht, € 600.000 in privé heeft en vanaf 62 jaar € 30.000 per jaar wil onttrekken. De eerste acht onttrekkingsjaren vertegenwoordigen € 240.000, oftewel 40% van het vermogen; dat deel hoort in liquide en vastrentende beleggingen. De resterende € 360.000 heeft wel een lange horizon. Het gevolg is een aandelenpercentage van ongeveer 60%. Over het traject dat hieraan voorafgaat leest u meer in het artikel bedrijf verkopen: wat levert het op.
Een gepensioneerde van 67 jaar met € 400.000 naast AOW en pensioen, die € 12.000 per jaar onttrekt. Zeven jaar aan onttrekkingen komt neer op € 84.000, ruim een vijfde, en er is een vaste inkomensbasis. Een aandelenpercentage tussen de 40 en 60 procent is hier niet ongebruikelijk, waarbij de nadruk verschuift naar het beperken van de kans op een grote daling vlak na de start van de onttrekkingen.
De rode draad: het percentage volgt uit de onttrekkingen en de draagkracht, niet uit een leeftijdsvuistregel.
Hoe spreidt u een aandelenportefeuille?
Spreiding is het enige instrument waarmee u risico verlaagt zonder dat het u verwacht rendement kost. Het werkt over ondernemingen, sectoren, regio's en valuta, en elk niveau vangt een ander soort schok op.
Waarom tien aandelen meestal onvoldoende spreiding bieden
Het marktrisico raakt alle aandelen tegelijk en is niet weg te spreiden. Het ondernemingsspecifieke risico raakt één onderneming: een mislukte overname, een productterugroeping, een bestuurscrisis. Dat tweede deel daalt naarmate u meer posities aanhoudt, maar de winst per extra aandeel neemt snel af. In de meeste onderzoeken naar dit effect ligt het punt waarop het specifieke risico grotendeels is uitgemiddeld tussen de twintig en veertig aandelen, mits die niet allemaal uit dezelfde hoek komen. Dat laatste is de crux: dertig Europese banken vormen geen gespreide portefeuille.
Er is een tweede reden waarom een klein aantal posities riskanter is dan het lijkt. Onderzoek naar langetermijnrendementen van individuele aandelen, onder meer door Hendrik Bessembinder, laat zien dat het totale rendement van de aandelenmarkt sterk geconcentreerd is in een kleine minderheid van de aandelen. De mediane belegging in een individueel aandeel presteert daardoor slechter dan het marktgemiddelde. Met tien posities is de kans reëel dat juist de aandelen die het gemiddelde omhoog trekken ontbreken.
Spreiding over ondernemingen, sectoren en regio's
Sectorspreiding vangt op wat individuele spreiding laat liggen. Regelgeving, grondstofprijzen, rentestanden en technologische verschuivingen raken hele bedrijfstakken tegelijk. Regiospreiding werkt hetzelfde voor ontwikkelingen die aan een land of regio gebonden zijn. Nederlandse beleggers houden structureel een onevenredig groot deel van hun portefeuille in Nederlandse en Europese aandelen. Die voorkeur voor de thuismarkt is begrijpelijk, maar de Nederlandse beurs is klein, geconcentreerd in een handvol namen en niet representatief voor de wereldeconomie.
Het gaat daarbij niet alleen om de vestigingsplaats: waar een onderneming haar omzet behaalt, zegt vaak meer dan waar het hoofdkantoor staat. Ook binnen brede indices bestaat concentratie, omdat een index naar beurswaarde weegt en het gewicht van de grootste namen en van één regio daardoor fors kan oplopen. Dat is geen bezwaar tegen indexbeleggen, maar wel een reden om te weten hoe uw index is samengesteld.
Ten slotte spreidt u over beleggingsstijl. Groeiaandelen noteren hoog ten opzichte van de huidige winst en moeten die verwachting waarmaken; waardeaandelen noteren juist laag en moeten meevallen. Daarnaast worden dividend-, kwaliteits- en kleinere aandelen als aparte categorieën onderscheiden. Historisch wisselen die stijlen elkaar af in perioden van meerdere jaren: lang genoeg om een belegger die volledig op één stijl inzet te doen twijfelen, en kort genoeg om precies op het verkeerde moment te wisselen. Wie de kern van de portefeuille invult met een brede, wereldwijd gespreide index heeft die stijlspreiding grotendeels automatisch geregeld. Wie met losse aandelen werkt, doet er goed aan de stijlverdeling expliciet te bekijken, omdat organisch gegroeide portefeuilles regelmatig eenzijdiger blijken dan de eigenaar dacht.
Valuta- en landenrisico
Wie wereldwijd belegt, loopt valutarisico. Beweegt de dollar tien procent ten opzichte van de euro, dan werkt dat rechtstreeks door in het rendement in euro's, los van de koersontwikkeling van de aandelen zelf. Voor het aandelendeel is dat niet per definitie ongewenst: over lange perioden middelt het deels uit, en afdekken kost geld. Bij het vastrentende deel ligt dat anders, omdat de valutabeweging daar vaak groter is dan het verwachte rendement.
Landenrisico is iets anders: de kans op onteigening, kapitaalrestricties, plotselinge belastingmaatregelen of beperkte rechtsbescherming. In opkomende markten is dat reëel, en een reden om het gewicht daarvan bewust te bepalen in plaats van volledig aan de index over te laten.
Losse aandelen, ETF's en aandelenfondsen vergeleken
Losse aandelen | ETF's | Actieve aandelenfondsen | |
Spreiding | Zelf op te bouwen, vraagt voldoende posities | Direct breed, afhankelijk van de index | Direct breed, afhankelijk van het mandaat |
Lopende kosten | Geen fondskosten, wel transactiekosten en spread | Doorgaans onder 0,30% per jaar | Doorgaans 0,50 tot 1,80% per jaar |
Transparantie | Volledig inzicht in elke positie | Samenstelling doorgaans dagelijks beschikbaar | Wisselend, vaak met vertraging |
Sturing | Volledige controle over posities en timing | Geen sturing binnen het fonds | Sturing ligt bij de beheerder |
Tijdsbeslag | Hoog: selectie, monitoring en herbalanceren | Laag | Laag, met periodieke beoordeling |
Geschikt voor | Beleggers die bewust specifieke posities willen | De basis van vrijwel elke portefeuille | Segmenten waar selectie aantoonbaar waarde toevoegt |
Vanaf € 100.000 is de combinatie het meest gebruikelijk: een brede kern via indexfondsen of ETF's, aangevuld met losse posities of gespecialiseerde fondsen waar u een specifieke overtuiging heeft.
Concentratierisico bij grotere vermogens
Bij grotere vermogens is concentratie zelden een bewuste keuze. Ze is meestal het gevolg van hoe het vermogen is ontstaan: uit een dienstverband, een bedrijfsverkoop of een erfenis. De portefeuille is dan geen ontwerp maar een geschiedenis. Een werkbare vuistregel: zodra één positie meer dan tien procent van het belegd vermogen uitmaakt, verdient die positie een expliciete onderbouwing. Niet omdat tien procent een natuurwet is, maar omdat het dwingt tot een besluit in plaats van tot stilzitten.
Aandelen in het bedrijf waar u werkt
Aandelen, opties of participaties in de eigen werkgever leveren een dubbele afhankelijkheid op. Gaat het slecht met de onderneming, dan daalt de waarde van uw belang precies op het moment dat uw inkomen, uw bonus en mogelijk uw baan onder druk staan. Daar komt bij dat werknemers de vooruitzichten van hun eigen werkgever systematisch gunstiger inschatten dan buitenstaanders. Houd verder rekening met blokkeringsperioden en met de fiscale behandeling van het moment van toekenning of uitoefening, die per regeling verschilt en niet altijd in box 3 valt.
Vermogen na verkoop van een onderneming
Wie zijn onderneming verkoopt, ruilt één geconcentreerd risico in voor een bedrag dat nog geen bestemming heeft. Dat brengt twee valkuilen mee. De eerste is dat het volledige bedrag ineens naar één type belegging gaat, waarmee de concentratie in andere vorm in stand blijft. De tweede is de omgekeerde: het geld blijft jarenlang op een spaarrekening staan omdat het instapmoment nooit goed voelt. Hoe langer het geld onbelegd blijft, hoe groter de verwachte opportunity cost. Daar staat tegenover dat direct instappen op korte termijn een forse waardedaling kan opleveren.
Een geërfde portefeuille met historische posities
Een geërfde portefeuille bestaat vaak uit posities die decennia geleden om destijds goede redenen zijn opgebouwd. Erfgenamen laten die ongewijzigd, uit piëteit of uit onzekerheid.
Fiscaal is er geen reden om te blijven zitten. In box 3 kent verkoop geen afzonderlijke heffing over de gerealiseerde koerswinst, en de erfbelasting is al afgerekend over de waarde op de overlijdensdatum. Wat wel telt zijn de transactiekosten en, bij illiquide posities, de spread. Over de afwikkeling van een nalatenschap leest u meer in het artikel estate planning. De relevante vraag is niet wat de erflater zou hebben gewild, maar of deze portefeuille past bij uw horizon, uw onttrekkingen en uw risicodraagkracht.
Geleidelijk afbouwen: timing, belasting en herbelegging
Afbouwen roept bijna altijd dezelfde bezwaren op: de koers staat nu ongunstig, er komen resultaten aan. Die bezwaren zijn er altijd, en het besluit wordt daardoor oneindig uitgesteld. Wat in de praktijk werkt, is een vooraf vastgelegd afbouwplan: een bepaald bedrag per kwartaal over bijvoorbeeld twee jaar, ongeacht de koers. Vier aandachtspunten:
In box 3 kent verkoop geen afzonderlijke heffing over de gerealiseerde koerswinst. Bij de forfaitaire berekening is 1 januari de peildatum; kiest u voor de berekening op basis van werkelijk rendement, dan tellen inkomsten en waardeveranderingen gedurende het jaar mee. Bij een aanmerkelijk belang in een BV leidt vervreemding wel tot heffing in box 2, met een tarief van 24,5% tot € 68.843 aan box 2-inkomen en 31% daarboven (bedragen 2026, per persoon).
Onder het aangekondigde stelsel per 2028 verandert dit beeld voor box 3. Dat is een reden om een meerjarig afbouwplan periodiek te toetsen, niet om het uit te stellen.
Verkoopt u zonder direct te herbeleggen, dan verruilt u concentratierisico voor het risico dat u langdurig buiten de markt staat.
Bij grote posities in minder liquide aandelen bepaalt het dagvolume het realistische afbouwtempo.
Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?
Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?
Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.
Wat kost beleggen in aandelen?
De totale kosten bestaan uit lagen die zelden op één overzicht bij elkaar staan. Alleen het totaal is een zinvol getal.
Transactiekosten, spread en valutakosten
Transactiekosten betaalt u per order: doorgaans een vast bedrag plus een percentage over het transactiebedrag. Voor een portefeuille die u weinig wijzigt zijn die kosten beperkt; bij veel mutaties lopen ze verder op dan beleggers doorgaans inschatten. De spread is de onzichtbare component en staat op geen enkele afrekening. Valutakosten ontstaan bij aan- en verkoop in vreemde valuta: een opslag van 0,25% per omwisseling lijkt klein, maar wordt bij elke transactie opnieuw gerekend en soms opnieuw bij dividenduitkering.
Servicekosten, fondskosten en beheervergoeding
Servicekosten of bewaarloon zijn een jaarlijks percentage over de waarde van uw portefeuille. Sommige partijen kennen deze kosten niet en verdienen aan transacties en valuta. Fondskosten zijn de kosten binnen een ETF of beleggingsfonds; die worden niet apart in rekening gebracht maar zijn al in de koers verwerkt, en komen bovenop de transactiekosten die het fonds zelf maakt.
Bij beleggingsadvies of vermogensbeheer komt daar een vergoeding bij, meestal een percentage over het beheerd vermogen met staffels die dalen naarmate het vermogen toeneemt. Daarbij is er één vraag die altijd gesteld moet worden: is dit alles-in, of komen er nog fondskosten, transactiekosten en servicekosten bij. In het artikel de kosten van vermogensbeheer leest u hoe directe en indirecte kosten zich tot elkaar verhouden.
Rekenvoorbeeld: kostenimpact over tien jaar
Uitgangspunt: een eenmalige inleg van € 250.000, een brutorendement van 6% per jaar, tien jaar, geen tussentijdse stortingen of onttrekkingen.
Totale kosten per jaar | Nettorendement | Eindwaarde na 10 jaar | Verschil met 0,40% |
0,40% | 5,60% | € 431.101 | |
1,00% | 5,00% | € 407.224 | € 23.877 |
1,75% | 4,25% | € 379.054 | € 52.047 |
Zonder enige kosten zou de portefeuille € 447.712 waard zijn. Het verschil tussen 0,40% en 1,75% bedraagt na tien jaar ruim € 52.000, oftewel meer dan een vijfde van de oorspronkelijke inleg. Dit is een rekenkundige illustratie bij een constant rendement; werkelijke rendementen schommelen. En hoge kosten zijn niet per definitie te duur: als een dienstverlening aantoonbaar iets toevoegt aan het nettoresultaat, kan een hogere vergoeding verdedigbaar zijn. Het punt is dat die meerwaarde expliciet moet worden gemaakt, omdat de kosten zeker zijn en het extra rendement niet.
Hoe worden aandelen belast?
Aandelen die u in privé aanhoudt, vallen in box 3. Er bestaat geen afzonderlijke heffing over de gerealiseerde koerswinst op het moment van verkoop. De heffing loopt via een forfaitair vastgesteld rendement op uw vermogen op de peildatum van 1 januari, met daarnaast de mogelijkheid om het werkelijke rendement door te geven.
Aandelen in het huidige box 3-stelsel
In 2026 bedraagt het tarief 36% en is het heffingsvrij vermogen € 59.357 per persoon, oftewel € 118.714 voor fiscale partners. Aandelen, ETF's en beleggingsfondsen vallen in de categorie beleggingen en overige bezittingen, met een forfaitair rendement van 6,00%.
Wat dat concreet betekent, uitgaande van uitsluitend beleggingen, geen schulden en de forfaitaire berekening: een alleenstaande belegger met een aandelenportefeuille van € 500.000 betaalt over 2026 afgerond € 9.518, ongeveer 1,90% van het belegde vermogen. Die effectieve druk loopt op naarmate het vermogen groter wordt, omdat het heffingsvrij vermogen dan relatief minder gewicht heeft: bij € 250.000 gaat het om ongeveer 1,65% en bij € 1.000.000 om ongeveer 2,03%.
U kunt ook uw werkelijke rendement doorgeven. De Belastingdienst vergelijkt dan de belasting volgens het forfaitaire en het werkelijke rendement en past de voor u gunstigste berekening toe. Bij de berekening op basis van werkelijk rendement geldt geen heffingsvrij vermogen, tellen waardestijgingen mee en zijn gewone beleggingskosten niet aftrekbaar; betaalde rente op box 3-schulden vormt daarop een uitzondering.
Het aangekondigde toekomstige stelsel
Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is op 12 februari 2026 aangenomen door de Tweede Kamer. Bij de plenaire behandeling in de Eerste Kamer op 30 juni 2026 is de eindstemming aangehouden in afwachting van de aangekondigde novelle(s), die het kabinet eerder voor Prinsjesdag 2026 had voorzien. De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2028.
Voor aandelen is de kern van het voorstel een vermogensaanwasbelasting: zowel ontvangen dividend als de jaarlijkse waardeontwikkeling telt mee, ook wanneer u niets heeft verkocht. Voor onroerende zaken en voor aandelen in start-ups en scale-ups geldt als uitzondering heffing pas bij realisatie, en kosten die samenhangen met het rendement worden aftrekbaar. In de Kamerbrief van 19 juni 2026 is daarnaast een aantal mogelijke verzachtingen geschetst, waaronder achterwaartse verliesverrekening over één jaar en een tariefverlaging van 36% naar 35%; daarover waren op dat moment nog geen definitieve keuzes gemaakt.
Wat dit voor uw portefeuille betekent: de belasting wordt afhankelijk van het rendement en daarmee van jaar tot jaar wisselend. Dat vraagt liquiditeit, omdat er in een sterk stijgend jaar belasting verschuldigd is over een waardestijging die u niet heeft verzilverd. Zolang de wetgeving niet is afgerond, is het onverstandig de portefeuille daar nu al volledig op in te richten.
Dividendbelasting en buitenlandse bronbelasting
Keert een Nederlandse onderneming dividend uit, dan wordt 15% dividendbelasting ingehouden. Dat is een voorheffing op de inkomstenbelasting, die u in uw aangifte verrekent. Is de ingehouden dividendbelasting hoger dan de verschuldigde inkomstenbelasting, dan kan dat tot teruggaaf leiden.
Bij buitenlandse aandelen is de verrekening beperkt tot het laagste van twee bedragen: de op grond van het belastingverdrag toegestane bronheffing, doorgaans 15% van het brutodividend, en de in Nederland over die aandelen verschuldigde box 3-belasting. Wat daarboven is ingehouden, vraagt u zelf terug bij de buitenlandse belastingdienst. Bij Amerikaanse aandelen bedraagt de standaardinhouding 30%, maar 15% wanneer u via uw bank of broker een W-8BEN-formulier heeft ingediend. Bij Zwitserse aandelen wordt 35% ingehouden terwijl het verdrag het heffingsrecht beperkt tot 15%.
Belegt u via een in Ierland of Luxemburg gevestigde ETF, dan wordt bronbelasting op fondsniveau ingehouden en is die voor u niet verrekenbaar. Deze dividendlekkage is doorgaans beperkt van omvang, maar hoort wel in de vergelijking tussen fondsen thuis.
Privé beleggen of via een BV
In privé betaalt u belasting over een forfaitair rendement, ongeacht uw werkelijke resultaat. In de BV wordt het werkelijke beleggingsresultaat belast met vennootschapsbelasting, in 2026 19% tot een belastbaar bedrag van € 200.000 en 25,8% daarboven, en volgt bij uitkering naar privé nog box 2-heffing van 24,5% tot € 68.843 en 31% daarboven.
Daaruit volgt een grove vuistregel: bij rendementen die structureel onder het forfait liggen is de BV relatief gunstiger, en bij rendementen daarboven privé. Die vergelijking is echter niet compleet zonder de gecombineerde druk bij uiteindelijke uitkering, de kosten van het in stand houden van de BV en de vraag of het vermogen ooit naar privé moet. Het aangekondigde stelsel per 2028 raakt aan de kern van deze afweging, omdat de forfaitaire heffing dan vervalt. De volledige vergelijking staat in het artikel beleggen in de BV of privé.
Zelf aandelen kopen of laten beheren?
De keuze is geen kwestie van intelligentie of van beschikbare informatie. Het is een afweging tussen kosten, tijd, kennis en, in de praktijk het zwaarst wegend, de vraag wie beslist op het moment dat de markten scherp dalen.
Wat zelf beleggen aan tijd en kennis vraagt
Zelf beleggen bespaart de beheervergoeding en geeft volledige controle. Daar staat tegenover: het opstellen van een beleggingsbeleid met doelverdeling en bandbreedtes, de selectie van fondsen of posities, periodiek herbalanceren, de administratie van dividend en bronbelasting, en het toetsen van de portefeuille wanneer uw situatie verandert. Wie dat gestructureerd doet, kan met een eenvoudige indexportefeuille prima uit de voeten. De valkuil zit niet in de complexiteit maar in de discipline: vasthouden aan het eigen beleid in perioden waarin dat oncomfortabel voelt.
Wanneer de meerwaarde van beheer kan opwegen tegen de kosten
Beheer kost geld en dat geld is zeker. De meerwaarde zit in de praktijk zelden in het selecteren van aandelen en vaker in vier andere punten. Gedragsdiscipline: een beheerder herbalanceert volgens beleid, ook wanneer dat betekent dat er moet worden bijgekocht in een dalende markt. Portefeuilleconstructie: bij vermogens waarin ook vastgoed, ondernemingsvermogen en liquiditeitsbehoefte meespelen, is het samenstellen van een passende verdeling een specialistische taak. Fiscale en structurele afstemming: het afstemmen op box 3, op een BV-structuur of op schenkingsplannen vraagt kennis die verder gaat dan beleggen. En continuïteit: als u er een periode niet toe in staat bent, ligt er een vastgelegd mandaat en is er een aanspreekpunt voor uw partner of erfgenamen.
Waar u kritisch op mag zijn, is de belofte van hoger rendement. In het artikel zelf beleggen of laten beleggen staan de argumenten uitgebreider tegenover elkaar.
Tussenvormen: beleggingsadvies en online beheer
Bij beleggingsadvies krijgt u voorstellen en beslist u zelf over elke transactie. U houdt de regie en betaalt doorgaans minder dan voor volledig beheer, maar de beslisdrempel blijft bij u liggen op de momenten waarop dat het lastigst is.
Bij online vermogensbeheer wordt uw portefeuille beheerd volgens een gestandaardiseerd profiel, meestal met indexfondsen en tegen een lagere vergoeding. Dat past bij een overzichtelijke situatie; bij een complexere vermogenspositie met een BV, vastgoed of geconcentreerde posities loopt u tegen de grenzen van zo'n profiel aan. Meer hierover staat in het artikel beheerd beleggen.
Zelf beleggen, advies en beheer vergeleken
Zelf beleggen | Beleggingsadvies | Vermogensbeheer | |
Wie beslist | U | U, op basis van advies | De beheerder, binnen het mandaat |
Kosten per jaar | Transactie- en servicekosten, plus fondskosten | Adviesvergoeding plus transactie- en fondskosten | Beheervergoeding plus fondskosten, staffel naar vermogen |
Tijdsbeslag | Aanzienlijk en doorlopend | Beperkt, met beslismomenten | Minimaal, met periodieke evaluatie |
Vereiste kennis | Hoog | Gemiddeld | Beperkt, wel inzicht in de gemaakte afspraken |
Grootste risico | Afwijken van het eigen beleid onder druk | Uitstel van beslissingen | Onvoldoende toetsing van kosten en resultaat |
Gebruikelijke ondergrens | Geen | Wisselend per aanbieder | Vaak vanaf € 100.000 tot € 500.000 |
Waarop let u bij het kiezen van een vermogensbeheerder?
Zes punten bepalen de vergelijking: de vergunning in het AFM-register en de vraag of het vermogen bij een onafhankelijke bewaarinstelling wordt aangehouden; de alles-in kosten, uitgedrukt in een percentage over uw eigen vermogen en in euro's per jaar; het nettorendement per risicoprofiel over meerdere jaren, waarvoor de VBR-index van Vermogensbeheer.nl de netto behaalde rendementen van Nederlandse beheerders op vergelijkbare basis naast elkaar zet; het beleggingsbeleid, met de rol van index- en actief beheer en de gehanteerde bandbreedtes; de aansluiting bij uw situatie, zoals ervaring met ondernemersvermogen of holdingstructuren; en de rapportage, met de vraag hoe transparant kosten en resultaten daarin zijn opgenomen.
Kunt u beter ineens of gefaseerd instappen?
Deze vraag komt bij grotere bedragen het vaakst voor na een bedrijfsverkoop, een erfenis of het vrijvallen van een lijfrente. Het antwoord bestaat uit twee delen die niet dezelfde kant op wijzen.
Verwacht rendement en tijd in de markt
Rekenkundig levert ineens instappen gemiddeld het hoogste eindresultaat op: aandelenmarkten stijgen vaker dan ze dalen, en geld dat nog niet belegd is, rendeert in die tijd niet mee. In historisch onderzoek komt ineens instappen in de meerderheid van de onderzochte perioden hoger uit dan gespreid instappen. Gefaseerd instappen is dus geen rendementsoptimalisatie, maar een instrument om spijt te beperken.
Risico en emotionele uitvoerbaarheid
Het gemiddelde is niet uw situatie. U stapt één keer in, met één bedrag, op één moment. Een daling van 30% kort na een volledige instap met € 500.000 kost € 150.000 en is voor veel beleggers de aanleiding om alsnog uit te stappen, waarmee het verlies definitief wordt.
De afweging wordt daarmee praktisch. Bij een bedrag dat klein is ten opzichte van uw totale vermogen, en bij een belegger die eerdere dalingen heeft uitgezeten, is ineens instappen verdedigbaar. Bij een bedrag dat het grootste deel van het vermogen uitmaakt, bij een belegger zonder ervaring met scherpe dalingen, en bij een instap kort na een bedrijfsverkoop of een overlijden, weegt de uitvoerbaarheid zwaarder dan het rekenkundige gemiddelde.
Een vooraf vastgesteld instapplan
Leg het plan in beide gevallen vooraf vast en voer het uit ongeacht de koersen. Een werkbare opzet voor een gefaseerde instap is een vast bedrag per maand over zes tot twaalf maanden: bij € 500.000 over acht maanden gaat het om acht tranches van € 62.500. Langer dan een jaar spreiden is zelden zinvol, omdat het misgelopen verwachte rendement toeneemt terwijl het effect op de spreiding van uitkomsten afneemt. Leg daarbij vast wat u doet als de markt tijdens de instapperiode scherp daalt, en wat u doet als die scherp stijgt. Zonder die afspraken wordt elke tranche opnieuw een beslismoment, en dat is precies wat een instapplan moet voorkomen.
Vijf beslissingen die bij een grotere aandelenportefeuille het verschil maken
Bepaal het aandelenpercentage over uw totale vermogen, niet over het saldo van de beleggingsrekening. Spaargeld, vastgoed, pensioenaanspraken en ondernemingsvermogen horen in dezelfde berekening.
Zonder uw geplande onttrekkingen voor de komende jaren vooraf af in liquide en vastrentende middelen. Dat is wat voorkomt dat u tijdens een dalende markt moet verkopen.
Toets de spreiding op sector, regio, valuta en stijl, niet alleen op het aantal posities. Dertig aandelen uit dezelfde hoek vormen een geconcentreerde portefeuille.
Reken uw totale kosten uit als één percentage over uw eigen vermogen, inclusief fondskosten, transactiekosten en spread. Alleen dat getal is vergelijkbaar tussen aanbieders.
Leg uw beleid vooraf vast: de doelverdeling, de bandbreedtes waarbinnen u herbalanceert en het moment waarop u dat doet. De waarde daarvan blijkt pas in het jaar waarin de markt scherp daalt.
Veelgestelde vragen
Hoeveel aandelen heeft u nodig voor voldoende spreiding?
Met twintig tot veertig goed gespreide aandelen is veel ondernemingsspecifiek risico te reduceren, maar er bestaat geen universeel minimum: correlaties, gewichten, sectoren en landen bepalen mede hoeveel spreiding u werkelijk heeft. Tien posities zijn in de regel te weinig. Een brede wereldindex bevat honderden tot duizenden ondernemingen en biedt daardoor aanzienlijk bredere spreiding.
Betaalt u belasting over de winst op aandelen?
Er bestaat geen afzonderlijke heffing over de gerealiseerde koerswinst bij verkoop. Bij de forfaitaire berekening betaalt u belasting over een forfaitair rendement op uw vermogen op de peildatum van 1 januari, ongeacht uw werkelijke resultaat: in 2026 6,00% voor beleggingen tegen een tarief van 36%, met een heffingsvrij vermogen van € 59.357 per persoon. U kunt daarnaast uw werkelijke rendement doorgeven, waarbij inkomsten en waardeveranderingen gedurende het jaar meetellen; de Belastingdienst past de voor u gunstigste berekening toe. In het aangekondigde stelsel per 2028 wordt het werkelijke rendement belast, inclusief niet-gerealiseerde waardestijgingen.
Is het verstandig om € 500.000 in één keer te beleggen?
Rekenkundig levert ineens instappen gemiddeld het hoogste eindresultaat op, omdat markten vaker stijgen dan dalen. In de praktijk weegt de uitvoerbaarheid zwaarder wanneer het bedrag een groot deel van uw vermogen uitmaakt of wanneer u geen ervaring heeft met scherpe dalingen. Een gefaseerde instap over zes tot twaalf maanden verlaagt de kans op een uitstapbesluit dat u niet kunt terugdraaien, tegen een gemiddeld iets lager verwacht rendement.
Wanneer weegt vermogensbeheer op tegen de kosten?
Wanneer de meerwaarde aantoonbaar zit in gedragsdiscipline, portefeuilleconstructie, fiscale afstemming of continuïteit, en niet uitsluitend in de verwachting van een hoger rendement. Kosten zijn zeker, extra rendement niet. Vergelijk daarom de totale kosten met het nettorendement per risicoprofiel over meerdere jaren.
Wat doet u met een geconcentreerde positie uit een erfenis of bedrijfsverkoop?
Beoordeel de positie op wat ze bijdraagt aan uw huidige portefeuille, niet op de geschiedenis ervan. In box 3 kent verkoop geen afzonderlijke heffing over de gerealiseerde koerswinst, zodat herinrichten op zichzelf geen belasting kost. Bij een aanmerkelijk belang in een BV leidt vervreemding wel tot heffing in box 2. Een vooraf vastgelegd afbouwplan over meerdere kwartalen haalt de timingdiscussie uit elke afzonderlijke transactie.
door Joost van Löben Sels
Joost heeft veel ervaring met het adviseren van vermogende cliënten op het gebied van beleggen. Hij heeft onder andere gewerkt als beleggingsadviseur bij SNS Bank. Bij Vermogensbeheer.nl begeleidt hij vermogende particulieren, ondernemers, stichtingen en instellingen die op zoek zijn naar een goede en passende vermogensbeheerder. Joost is een ondernemer in hart en nieren en is daardoor ook goed in staat om ondernemers te adviseren bij hun beleggingsvraagstuk.
Gerelateerd:
- Geld investeren in 2026: de beste investeringsmogelijkheden voor uw vermogen - 9 april 2026
- Wel of geen aandelenbubbel, hou de focus op uw plan - 6 mei 2021
- Duurzaam vermogensbeheer: wat het inhoudt en waar u op moet letten - 19 augustus 2026
Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?
Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?
Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.