DGA pensioen: opbouwen via lijfrente, bv of privé
Als dga bouwt u geen pensioen op via een werkgever. U kiest zelf tussen een lijfrente in privé, een verzekerde regeling via de bv, beleggen vanuit de holding en vermogen opbouwen in box 3. Die keuze bepaalt uw belastingdruk tijdens de opbouw én bij de uitkering. Bij een pensioenvermogen van € 250.000 loopt het verschil tussen de routes op tot tienduizenden euro's. De vier mogelijkheden staan hieronder naast elkaar, met de cijfers die in 2026 gelden.

Hoe werkt pensioen voor een dga?
Bouwt een dga automatisch pensioen op?
Nee. U bouwt als inwoner van Nederland wel AOW op, maar geen aanvullend pensioen via een werkgever. De reden is juridisch: volgens de Pensioenwet is een dga geen werknemer. Die wet hanteert daarvoor een eigen definitie, die kort gezegd uitgaat van een aandelenbezit van ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal waaraan stemrecht in de algemene vergadering is verbonden, direct of indirect gehouden.
Het gevolg is tweeledig. Er is geen pensioenuitvoerder die automatisch voor u opbouwt, en u valt niet onder de bescherming van de Pensioenwet. Alles wat u opbouwt, bouwt u op omdat u er zelf voor kiest.
De AOW blijft wel gewoon staan. In 2026 en 2027 is de AOW-leeftijd 67 jaar; van 2028 tot en met 2031 is die vastgesteld op 67 jaar en 3 maanden. Per 1 juli 2026 bedraagt een volledige AOW € 1.662,16 bruto per maand voor een alleenstaande en € 1.139,39 bruto per persoon voor gehuwden en samenwonenden. U bouwt 2% per jaar op in de vijftig jaar vóór uw AOW-leeftijd, dus jaren in het buitenland verlagen het bedrag.
Is pensioenopbouw voor een dga verplicht?
In de regel niet, maar er is één uitzondering die u wel moet controleren. Wanneer uw onderneming onder de werkingssfeer van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds valt, ontstaat de aansluitplicht van rechtswege, dus ook zonder aanmelding. Of u als dga daarbij zelf meedoet, verschilt per fonds: sommige verplichtstellingsbesluiten nemen de dga uitdrukkelijk mee, andere sluiten hem juist uit.
De consequenties van een gemiste aansluiting kunnen fors zijn. Een fonds kan alsnog premie over verstreken jaren vorderen, en onder omstandigheden kan de bestuurder daarvoor aansprakelijk worden gesteld. Automatisch is die aansprakelijkheid niet: bij een tijdige en rechtsgeldige melding van betalingsonmacht moet onder meer aannemelijk worden gemaakt dat sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur, terwijl zonder zo'n melding een zwaarder bewijsvermoeden geldt. Fondsen doen zelf onderzoek naar bedrijven die zich niet hebben gemeld. Twijfelt u of uw activiteiten onder een verplichtstelling vallen, laat de werkingssfeer dan toetsen voordat u uw pensioenopbouw inricht.
Buiten die situatie geldt er geen wettelijke verplichting. U bent zelf verantwoordelijk, met alle vrijheid en alle risico's die daarbij horen.
De vier mogelijkheden vergeleken
Lijfrente in privé | Verzekerde regeling via de bv | Beleggen in de bv of holding | Beleggen privé in box 3 | |
Inleg fiscaal aftrekbaar | Ja, binnen de jaarruimte | Ja, de premie is bedrijfslast | Nee | Nee |
Heffing tijdens de opbouw | Geen | Geen | VPB 19% of 25,8% over het rendement | 36% over een forfaitair rendement |
Heffing bij opname | Box 1 | Box 1 | Box 2, 24,5% of 31% | Geen |
Vrij beschikbaar | Nee | Nee | Ja, na afrekening in box 2 | Ja |
Buiten het ondernemersrisico | Ja | Ja | Nee | Grotendeels |
Beleggingsvrijheid | Beperkt tot het aanbod van de uitvoerder | Beperkt | Volledig | Volledig |
Het patroon is steeds hetzelfde. De routes met aftrek nu zijn de routes met een vaste bestemming later, en de routes met vrijheid zijn de routes zonder aftrek. Een combinatie is toegestaan en in de praktijk vaak de verstandigste keuze.
Lijfrente voor de dga
Jaarruimte en reserveringsruimte in 2026
De jaarruimte is het bedrag dat u in een jaar fiscaal aftrekbaar mag storten in een lijfrenteproduct. Sinds 2023 is het opbouwpercentage verhoogd van 13,3% naar 30%, waardoor de ruimte fors is toegenomen.
Onderdeel | 2026 |
Opbouwpercentage | 30% van de premiegrondslag |
AOW-franchise | € 19.172 |
Maximaal in aanmerking te nemen inkomen | € 137.800 |
Maximale jaarruimte | € 35.589 |
Maximale reserveringsruimte | € 42.753 |
Correctie voor pensioenaangroei | 6,27 maal factor A |
De premiegrondslag is uw inkomen van het voorgaande jaar, afgetopt op € 137.800, verminderd met de AOW-franchise. Bouwt u nergens pensioen op, dan is factor A nul en benut u de volle 30%.
De reserveringsruimte is de niet-benutte jaarruimte van de afgelopen tien jaar. Voor een dga die jarenlang niets opzij heeft gezet, is dat vaak het interessantste onderdeel: u kunt in één jaar tot € 42.753 inhalen, bovenop de jaarruimte van dat jaar. U moet de onbenutte ruimte per jaar wel kunnen onderbouwen, dus bewaar de gegevens over uw inkomen en pensioenaangroei.
Uw gebruikelijk loon bepaalt uw fiscale ruimte
Dit is het punt waar de meeste dga's overheen kijken. De premiegrondslag voor de jaarruimte is uw inkomen in box 1, dus uw loon uit de bv. De winst van uw onderneming telt niet mee. Wat u aan dividend uitkeert evenmin. Dat maakt de hoogte van uw gebruikelijk loon rechtstreeks bepalend voor de ruimte die u heeft.
Het normbedrag voor het gebruikelijk loon is in 2026 € 58.000, tegenover € 56.000 in 2024 en 2025. Uw loon moet minimaal het hoogste zijn van dit normbedrag, het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking en het loon van de meestverdienende werknemer in uw bv of een verbonden vennootschap.
Gebruikelijk loon | Premiegrondslag | Jaarruimte bij factor A nihil |
€ 58.000 | € 38.828 | € 11.648 |
€ 80.000 | € 60.828 | € 18.248 |
€ 100.000 | € 80.828 | € 24.248 |
€ 137.800 of meer | € 118.628 | € 35.589 |
Hier zit een spanning die vaak onbenoemd blijft. Veel dga's houden hun loon bewust laag en nemen de rest op als dividend, omdat box 2 goedkoper is dan het toptarief in box 1. Dat is fiscaal begrijpelijk, maar het verkleint tegelijk de lijfrenteruimte: bij het normbedrag van € 58.000 blijft er ongeveer een derde over van het maximum. Wie de lijfrenteroute serieus wil benutten, moet het loonniveau en de pensioenplanning in samenhang bekijken en niet los van elkaar optimaliseren.
Twee aandachtspunten daarbij. Een lager loon dan het normbedrag is toegestaan wanneer u dat kunt onderbouwen, bijvoorbeeld met het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking of met aantoonbaar deeltijdwerk, maar leg die onderbouwing wel vast. En heeft u een verzekerde pensioenregeling via de bv, dan is uw factor A niet nul en verlaagt die uw jaarruimte.
Wanneer een lijfrente wel en niet past
Een lijfrente past goed wanneer uw marginale tarief nu hoog is en later lager. In 2026 betaalt u in box 1 49,5% boven € 78.426, terwijl AOW-gerechtigden in de eerste schijf een gecombineerd tarief van 17,85% betalen. Dat verschil is de kern van het voordeel. Daar komt bij dat het opgebouwde kapitaal niet in box 3 valt en buiten de risicosfeer van uw onderneming staat.
De keerzijde is beperkte vrijheid. Het geld ligt vast tot de uitkeringsfase, de uitkeringen zijn belast in box 1, u kunt niet meer inleggen dan uw jaar- en reserveringsruimte, en u bent gebonden aan het aanbod van de bank, verzekeraar of beleggingsonderneming waar u de rekening aanhoudt. Wat een lijfrente precies is en welke vormen er bestaan, leest u in het artikel over de lijfrente.
Benut in de regel eerst de jaarruimte, want daar is het fiscale voordeel het grootst per ingelegde euro. Bepaal daarna wat u met het vermogen in de bv doet.
Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?
Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?
Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.
Pensioen opbouwen in de bv of holding
Beleggen vanuit de holding
Beleggen vanuit de bv is administratief de eenvoudigste route: u maakt geld over van de betaalrekening naar een beleggingsrekening op naam van de vennootschap. Het rendement is winst en dus belast met vennootschapsbelasting, in 2026 19% tot € 200.000 winst en 25,8% daarboven. De deelnemingsvrijstelling helpt hier niet, omdat die pas geldt bij een belang van 5% of meer in een andere vennootschap.
Wanneer die heffing valt, hangt af van de waardering in de jaarrekening. Voor liquide effecten bestaat in de vennootschapsbelasting geen algemene verplichting om ongerealiseerde koerswinst jaarlijks tot de winst te rekenen; waardering op kostprijs of lagere beurswaarde is vaak mogelijk. De timing wijkt daarmee af van box 3.
Er is geen box 3-heffing over dit vermogen. Uw aandelen in de bv vallen in box 2 en daar wordt pas geheven op het moment dat u geld naar privé haalt. Dat uitstel is het kernvoordeel van deze route.
Een praktisch punt is de plaats van het vermogen. Staat het in de werkmaatschappij, dan loopt het volledig mee in het ondernemersrisico. Een holdingstructuur waarbij de winst periodiek naar de holding wordt uitgekeerd, scheidt de beleggingen van de operationele risico's. Volledig risicovrij is dat niet, maar het scheelt aanzienlijk. Meer over de afweging tussen zakelijk en privé beleggen staat in het artikel over beleggen in de bv of privé.
Een verzekerde pensioenregeling via de bv
De bv kan ook als werkgever een pensioenregeling voor u afsluiten bij een professionele verzekeraar. Daarvoor is een arbeidsovereenkomst tussen u en de bv nodig. Onderbrenging bij een premiepensioeninstelling is voor een gewone dga geen optie, buiten enkele oude overgangssituaties, omdat een PPI alleen regelingen onder de Pensioenwet uitvoert en de dga daar niet onder valt. De premie is een bedrijfslast en verlaagt dus de belastbare winst, en het kapitaal staat buiten de vennootschap.
Het voordeel is dat u risico's in één keer afdekt: nabestaandenpensioen en premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid horen doorgaans bij het pakket. Op de pensioendatum wordt het opgebouwde kapitaal omgezet in een levenslange uitkering.
De nadelen zijn de spiegelbeelden daarvan. U legt uzelf een vaste premieverplichting op die ook in mindere jaren doorloopt, de uitkering moet levenslang zijn terwijl een lijfrente-uitkering ook tijdelijk mag zijn, en de opbouw verlaagt via factor A uw jaarruimte voor een lijfrente in privé. Voor dga's met een sterk wisselende winst is dit zelden de eerste keuze.
Geld in de bv laten of als dividend naar privé halen
Zodra u geld naar privé haalt, betaalt u box 2-belasting. In 2026 geldt 24,5% tot een box 2-inkomen van € 68.843 en 31% daarboven. Heeft u een fiscale partner, dan mag u het voordeel uit aanmerkelijk belang onderling verdelen. Door ieder maximaal € 68.843 in de eerste schijf te laten vallen, benut u samen tot € 137.686 tegen 24,5%.
Dat verschil van 6,5 procentpunt maakt spreiding lonend. Wie een grote dividenduitkering in één jaar doet, betaalt over het grootste deel 31%. Wie hetzelfde bedrag over meerdere jaren uitkeert en per jaar binnen de eerste schijf blijft, betaalt over alles 24,5%. Voor één belastingplichtige die € 300.000 wil uitkeren, scheelt spreiding over vijf jaar, met elk jaar maximaal de eerste schijf benut, ongeveer € 15.000 ten opzichte van uitkeren ineens. Over twee jaar is het verschil circa € 4.500 en over drie jaar circa € 9.000.
Twee randvoorwaarden mag u niet vergeten. De uitkeringstoets uit artikel 2:216 BW verplicht het bestuur te beoordelen of de vennootschap na de uitkering haar opeisbare schulden kan blijven betalen; keert u uit terwijl dat niet kan, dan bent u als bestuurder aansprakelijk. En op grond van de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap wordt een schuld aan uw eigen bv boven € 500.000 op 31 december belast als inkomen in box 2. Dat drempelbedrag geldt samen met uw fiscale partner en over al uw vennootschappen samen. Een eigenwoningschuld kan onder voorwaarden buiten de drempel blijven; bij nieuwe schulden is daarvoor in beginsel een hypotheekrecht ten gunste van de bv nodig. Zakelijk lenen van de eigen bv blijft mogelijk, maar het is geen onbeperkte manier om box 2 uit te stellen.
Beleggen in de bv of privé: wat levert netto meer op?
Box 2 tegenover box 3
De vergelijking draait om twee verschillende manieren van heffen. In box 3 betaalt u jaarlijks over een verondersteld rendement, ongeacht wat u werkelijk verdient. In de bv betaalt u jaarlijks over het werkelijke rendement, en daarna nog eens bij opname.
Voor 2026 rekent de Belastingdienst in box 3 met 6,00% voor beleggingen en overige bezittingen, 1,28% voor banktegoeden en 2,70% voor schulden, waarbij de laatste twee percentages nog voorlopig zijn. Het tarief is 36% en het heffingsvrij vermogen bedraagt € 59.357 per persoon. Voor beleggingen komt dat neer op 2,16% van de waarde per jaar, zolang u het forfait volgt. Ligt uw werkelijke rendement lager, dan kunt u via de tegenbewijsregeling uitgaan van dat werkelijke rendement. Daarbij telt het rendement over uw volledige box 3-vermogen mee, inclusief waardeveranderingen, en geldt geen heffingsvrij vermogen. De 2,16% is dus een bovengrens bij toepassing van het forfait, geen vaststaande last.
In de bv is de jaarlijkse last 19% van het werkelijke rendement, gevolgd door 24,5% of 31% bij opname. De vraag is welke van de twee heffingen over een langere periode minder kost.
Voorbeeld bij € 100.000, € 250.000 en € 500.000
De volgende berekening gaat uit van een bedrag dat al in de holding staat. Route A laat het bedrag in de bv, belegt het en keert na vijftien jaar het volledige saldo uit als dividend. Route B keert het bedrag nu uit als dividend en belegt het netto bedrag privé in box 3. Beide routes rekenen met 6% brutorendement per jaar, een VPB-tarief van 19% en de box 3-cijfers van 2026. Het heffingsvrij vermogen blijft buiten beschouwing, omdat de doelgroep dat doorgaans al met ander vermogen benut. Het gaat om een vereenvoudigd scenario dat het effect van beide heffingssystemen zichtbaar maakt, niet om een exacte fiscale vergelijking: de timing van de vennootschapsbelasting hangt af van de waardering van de effecten in de jaarrekening.
Bedrag in de holding | Route A: netto na 15 jaar | Route B: netto na 15 jaar | Verschil |
€ 100.000 | € 145.100 | € 129.300 | € 15.800 |
€ 250.000 | € 356.000 | € 311.400 | € 44.600 |
€ 500.000 | € 707.500 | € 615.000 | € 92.500 |
Het uitstel wint. De bv rekent 19% af over het rendement waar box 3 effectief 36% over een forfait van 6% heft, en dat verschil compenseert de latere box 2-heffing ruimschoots. Het voordeel loopt bovendien procentueel op naarmate het bedrag groter wordt, van ruim 12% bij € 100.000 tot 15% bij € 500.000, omdat de lage box 2-schijf dan een steeds kleiner deel van het geheel uitmaakt.
Een kanttekening bij route A: de tabel rekent met één dividenduitkering aan het eind, waarbij het grootste deel in de schijf van 31% valt. Spreidt u de uitkeringen over meerdere jaren binnen de eerste schijf, dan valt de uitkomst nog gunstiger uit.
Wanneer de uitkomst kantelt
Bij een looptijd van vijftien jaar ligt het omslagpunt rond een brutorendement van 10 tot 11%. Daarboven wint box 3, omdat de heffing daar is gemaximeerd op een forfait van 6% terwijl de vennootschapsbelasting evenredig met het werkelijke rendement meestijgt. Voor realistische portefeuillerendementen ligt de uitkomst dus vrijwel altijd in het voordeel van de bv.
Ook bij een laag rendement blijft de bv voordeliger. Past u de tegenbewijsregeling toe, dan betaalt u in box 3 36% over uw werkelijke rendement, tegenover 19% in de vennootschap. Het voordeel wordt kleiner, maar het draait niet om.
Vier situaties waarin de conclusie wél anders uitpakt:
Het geld staat nog niet in de bv, maar zit in uw loon. Dan is de lijfrente de sterkste route, omdat u aftrek krijgt tegen maximaal 49,5% en later uitkeert tegen een aanzienlijk lager tarief. Benut die ruimte eerst.
U heeft het bedrag binnen enkele jaren nodig. Op korte termijn weegt het uitstelvoordeel niet op tegen de box 2-heffing bij opname.
Uw heffingsvrij vermogen in box 3 is nog onbenut. Dan is het eerste deel van uw privévermogen onbelast en verschuift de afweging.
U wilt de bv na uw pensionering opheffen. De kosten van het aanhouden van een vennootschap, van jaarrekening tot loonadministratie, wegen bij kleinere bedragen zwaar mee.
Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?
Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?
Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.
Hoeveel pensioenvermogen heeft u nodig?
Van gewenst netto-inkomen naar benodigd vermogen
De rekensom verloopt in vier stappen. Bepaal eerst welk inkomen u na pensionering wilt besteden. Trek daar de AOW en eventueel bestaand pensioen van af. Wat overblijft is het jaarlijkse tekort. Vermenigvuldig dat met een factor die past bij de duur van de uitkering en het rendement dat u in die periode verwacht.
De volgende berekening gaat uit van een echtpaar met beiden een volledige AOW, een uitkeringsduur van 25 jaar en een reëel rendement van 3% per jaar, dus rendement na inflatie. Alle bedragen zijn bruto. De AOW is berekend op het niveau van 1 juli 2026 en inclusief vakantiegeld van € 74,85 bruto per persoon per maand. Houd er rekening mee dat de AOW-bedragen halfjaarlijks worden aangepast.
Gewenst bruto jaarinkomen samen | AOW samen | Jaarlijks tekort | Benodigd vermogen |
€ 60.000 | € 29.142 | € 30.858 | € 537.000 |
€ 90.000 | € 29.142 | € 60.858 | € 1.060.000 |
€ 120.000 | € 29.142 | € 90.858 | € 1.582.000 |
Twee dingen vallen op. Het benodigde vermogen loopt sneller op dan het gewenste inkomen, omdat de AOW een vast bedrag is dat bij een hoger inkomen een steeds kleiner deel dekt. En de bedragen zijn hoger dan de meeste dga's inschatten: een comfortabel pensioen vraagt al snel om een vermogen boven € 1 miljoen.
AOW en bestaand pensioen meenemen
Controleer voordat u rekent wat er al staat. Op mijnpensioenoverzicht.nl ziet u uw AOW-opbouw en eventuele pensioenaanspraken uit dienstverbanden vóór uw ondernemerschap. Daar komen oude lijfrentepolissen bij, en voor veel dga's een oudedagsverplichting uit de tijd van het pensioen in eigen beheer.
Eén correctie wordt vaak vergeten: een euro in de bv is geen euro besteedbaar inkomen. Over vermogen in de vennootschap moet nog box 2-belasting worden betaald, en over uitkeringen uit een lijfrente of oudedagsverplichting nog inkomstenbelasting in box 1. Vermogen in box 3 is daarentegen al afgerekend. Vergelijkt u de potjes zonder die correctie, dan overschat u wat er werkelijk te besteden valt, in de bv al snel met een kwart tot bijna een derde.
Wilt u eerder stoppen dan uw AOW-leeftijd, dan telt elk jaar dubbel: u mist niet alleen het arbeidsinkomen, maar ook de AOW die pas op 67-jarige leeftijd begint. De volledige rekensom daarvoor staat in het artikel over eerder stoppen met werken.
Pensioen in eigen beheer en de ODV
Wat is een pensioen-bv en kan het nog?
Met een pensioen-bv wordt doorgaans het pensioen in eigen beheer bedoeld: de constructie waarbij uw eigen vennootschap de pensioentoezegging deed en een voorziening op de balans hield, zonder premie aan een externe verzekeraar. Nieuwe opbouw daarvan is sinds 1 juli 2017 niet meer mogelijk.
De regeling werd afgeschaft vanwege de complexiteit en omdat de commerciële waarde van de verplichting bij veel vennootschappen zo hoog was opgelopen dat er geen ruimte meer was voor dividend. Tussen 2017 en eind 2019 konden dga's kiezen: afkopen met een fiscale korting, omzetten in een oudedagsverplichting, of de aanspraak premievrij laten staan. Ruim vijftigduizend dga's kozen voor de omzetting naar een oudedagsverplichting.
Wie nu een pensioen-bv zoekt voor nieuwe opbouw, komt daarom uit bij de vier eerder genoemde routes. De term zelf leeft alleen nog voort in bestaande situaties.
Hoe werkt een oudedagsverplichting?
De oudedagsverplichting, meestal afgekort tot ODV, is een verplichting op de balans van uw bv die jaarlijks wordt opgerent met een wettelijk voorgeschreven percentage: het u-rendement van het voorgaande jaar. De regels voor de uitkering zijn strak.
De uitkeringen moeten uiterlijk twee maanden na het bereiken van uw AOW-leeftijd ingaan en lopen daarna twintig jaar door. U mag maximaal vijf jaar eerder beginnen, maar dan wordt de looptijd met datzelfde aantal jaren verlengd. De eerste jaartermijn is de opgerente stand gedeeld door de looptijd; elk volgend jaar deelt u de resterende, opnieuw opgerente aanspraak door het resterende aantal jaren. Afkopen mag niet: doet u dat toch, dan volgt loonheffing over de waarde plus revisierente.
De praktische consequentie wordt vaak onderschat. Keert u de ODV vanuit de bv uit, dan moet die bv tot twintig jaar na uw AOW-datum blijven bestaan, met alle jaarrekeningen, loonadministratie en kosten van dien. Dat is de reden dat veel dga's de ODV omzetten in een lijfrente bij een bank, verzekeraar of beleggingsonderneming. Zolang de ODV-termijnen nog niet zijn ingegaan, kan die omzetting geheel of gedeeltelijk plaatsvinden. Zijn de termijnen al ingegaan, dan moet de volledige resterende aanspraak worden omgezet en is vooraf een verzoek aan de inspecteur nodig. Onder voorwaarden is omzetting ook nog mogelijk nadat vijf jaar na uw AOW-datum zijn verstreken. Wat er bij het vrijkomen van zo'n uitkering komt kijken, staat in het artikel over de vrijvallende lijfrente.
De dividendklem bij een negatief eigen vermogen
De dividendklem is in de eerste plaats een probleem van het oude pensioen in eigen beheer. Die pensioenverplichting stond fiscaal tegen een andere waarde op de balans dan de commerciële waarde die werkelijk nodig was om de uitkeringen te kunnen doen. Dat verschil liep vaak zo ver op dat de vennootschap commercieel gezien een negatief eigen vermogen had. De uitkeringstoets verplicht het bestuur te beoordelen of de vennootschap na een uitkering haar opeisbare schulden kan blijven betalen, en de pensioenverplichting telt daarbij mee tegen commerciële waarde. Is het antwoord nee, dan kan er geen dividend worden uitgekeerd, ook al staat er winst op de balans. Voor een dga die op zijn pensioen afgaat, betekent dat geld in de bv waar hij niet bij kan.
Bij een oudedagsverplichting speelt dat waarderingsverschil niet, omdat de ODV destijds juist tegen de fiscale balanswaarde is ontstaan. De uitkeringstoets geldt wel onverkort: er moet na een dividenduitkering voldoende vermogen achterblijven om de ODV volledig te kunnen voldoen. Blijft er te weinig over, dan kunnen daar zware fiscale gevolgen aan verbonden zijn.
In beide gevallen geldt dezelfde volgorde: eerst de verplichting in beeld brengen en doorrekenen, dan pas een uitkering doen. De routes verschillen per situatie. Denk aan het afstorten of omzetten van de verplichting bij een externe uitvoerder, aan het opnieuw laten waarderen van de verplichting, of aan een gefaseerde afbouw. Een uitkering die de toets niet doorstaat, kan leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid.
Welke strategie past bij uw situatie?
Situatie | Meestal de sterkste route | Waarom | Belangrijkste aandachtspunt |
Het vermogen zit vooral in de holding | Beleggen vanuit de holding, aangevuld met de jaarruimte | Uitstel van box 2 kost minder dan de jaarlijkse box 3-heffing | Scheid de beleggingen van de werkmaatschappij en spreid de latere dividenduitkeringen |
U heeft veel privévermogen in box 3 | Eerst de jaarruimte en de reserveringsruimte volledig benutten | De aftrek tegen maximaal 49,5% is het grootste voordeel per ingelegde euro | Een hoger gebruikelijk loon vergroot de ruimte, maar kost direct loonheffing |
U wilt binnen tien jaar stoppen | Combinatie van lijfrente en vermogen in de holding, met een uitkeringsplan | De overbrugging tot de AOW-leeftijd vraagt om liquiditeit, niet om maximaal uitstel | Reken uit hoeveel u per jaar nodig heeft en in welke box dat het gunstigst vrijkomt |
U heeft de onderneming verkocht | Vermogen in de holding, gespreid naar privé of naar een lijfrente | Na verkoop is er geen loon meer, dus de jaarruimte loopt terug naar nul | Benut de reserveringsruimte in het jaar van verkoop, zolang er nog inkomen is |
Ziet u de verkoopopbrengst van uw bedrijf als uw pensioen, houd er dan rekening mee dat die opbrengst pas vaststaat op het moment van verkoop. Prijsvorming, timing en de vraag of er überhaupt een koper is, liggen niet volledig in uw hand. Wat een onderneming realistisch oplevert, staat in het artikel over de opbrengst bij bedrijfsverkoop.
Veelgestelde vragen
Is een dga verplicht pensioen op te bouwen?
Nee, tenzij de onderneming onder de werkingssfeer van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds valt en dat fonds de dga niet uitzondert. Of dat zo is, verschilt per fonds en per bedrijfstak. Buiten die situatie bent u volledig zelf verantwoordelijk.
Hoeveel mag ik als dga in 2026 aftrekbaar inleggen in een lijfrente?
Maximaal € 35.589 aan jaarruimte, plus maximaal € 42.753 aan reserveringsruimte uit de afgelopen tien jaar. De jaarruimte is 30% van uw premiegrondslag, verminderd met 6,27 maal factor A. Uw premiegrondslag is uw loon uit de bv, afgetopt op € 137.800, min de AOW-franchise van € 19.172.
Kan ik nog pensioen in eigen beheer opbouwen?
Nee. Nieuwe opbouw is sinds 1 juli 2017 niet meer mogelijk. Bestaande aanspraken en oudedagsverplichtingen lopen wel door en kennen eigen regels voor oprenting en uitkering.
Is beleggen in de bv voordeliger dan beleggen in privé?
Voor vermogen dat al in de bv zit, in vrijwel alle gevallen wel. De vennootschapsbelasting van 19% over het werkelijke rendement kost over een langere periode minder dan de box 3-heffing van 36% over een forfait van 6%, ook na de latere box 2-heffing. Bij een looptijd van vijftien jaar draait dat pas om bij een brutorendement boven ongeveer 10%.
Wat gebeurt er met mijn oudedagsverplichting als ik mijn bv wil opheffen?
Dan moet u de verplichting eerst afstorten bij een externe uitvoerder, waarmee zij overgaat in een lijfrente. Doet u dat niet, dan moet de bv de uitkeringen zelf doen en dus tot twintig jaar na uw AOW-datum blijven bestaan. Omzetten kan geheel of gedeeltelijk zolang de ODV-termijnen nog niet zijn ingegaan; daarna moet de volledige resterende aanspraak in één keer worden omgezet en is vooraf een verzoek aan de inspecteur nodig.
Hoeveel pensioenvermogen heb ik nodig als dga?
Dat hangt af van uw gewenste inkomen en van wat de AOW en bestaand pensioen al dekken. Voor een echtpaar met een gewenst bruto inkomen van € 90.000 per jaar en een uitkeringsduur van 25 jaar komt het benodigde vermogen uit rond € 1,06 miljoen. Corrigeer het vermogen in uw bv wel voor de box 2-heffing die daar nog op rust.
Verlaagt een laag gebruikelijk loon mijn pensioenmogelijkheden?
Ja. De jaarruimte wordt berekend over uw loon in box 1, niet over de winst of het dividend. Bij het normbedrag van € 58.000 bedraagt de jaarruimte ongeveer € 11.648, tegenover het maximum van € 35.589 bij een loon van € 137.800 of meer. Wie de lijfrenteroute wil benutten, moet het loonniveau en de pensioenplanning in samenhang beoordelen.
door Harry van Houdt
Financiële Planning is mijn passie. Mijn missie is de klant op maat adviseren, binnen zijn eigen kaders én tegelijk met een maximaal palet aan keuzes. Vermogen is iets heel persoonlijks en speelt een belangrijke rol in ieders leven. Door de afstemming van de financiën op levensdoelen, kan ik als adviseur waarde bieden aan mijn klanten. Zo’n advies of vermogensplan biedt veiligheid en innerlijke rust. In wederzijds vertrouwen worden veel langdurige klantrelaties opgebouwd.
Gerelateerd:
- Uw lijfrente komt vrij, wat kunt u het beste doen? - 28 november 2024
- Beleggen in de BV of privé, wat kunt u het beste doen? - 27 maart 2025
- Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) 2026: voorwaarden, vrijstelling en belasting - 10 september 2026
Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?
Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?
Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.