Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) 2026: voorwaarden, vrijstelling en belasting
De bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) is een vrijstelling in de schenk- en erfbelasting voor ondernemers die hun bedrijf overdragen aan de volgende generatie. In 2026 is ondernemingsvermogen tot € 1.543.500 volledig vrijgesteld; over het meerdere geldt een vrijstelling van 75%. De regeling geldt uitsluitend voor kwalificerend ondernemingsvermogen. Beleggingen, overtollige liquiditeiten en verhuurd vastgoed vallen erbuiten, en die grens is de afgelopen jaren strikter geworden. Voor een DGA met vermogen in de holding bepaalt juist die scheiding hoeveel de BOR daadwerkelijk oplevert.

Wat is de bedrijfsopvolgingsregeling?
De BOR is een voorwaardelijke vrijstelling in de Successiewet 1956. Wie een onderneming of aandelen daarin krijgt door schenking of vererving en die onderneming voortzet, betaalt over het overgrote deel van de waarde geen schenk- of erfbelasting. De gedachte erachter is dat een belastingaanslag de continuïteit van een onderneming niet mag bedreigen.
De vrijstelling is voorwaardelijk: zij vervalt alsnog wanneer de opvolger niet aan de eisen blijft voldoen. Toepassing gaat bovendien niet automatisch. U moet er in de aangifte schenk- of erfbelasting uitdrukkelijk om verzoeken en de waarde van de onderneming onderbouwen.
Voor welke belastingen geldt de BOR?
De BOR geldt uitsluitend voor de schenkbelasting en de erfbelasting, en zegt niets over de inkomstenbelasting. Dat onderscheid is wezenlijk: bij de overdracht van aanmerkelijkbelangaandelen ontstaat ook een claim in box 2. Die claim wordt niet door de BOR weggenomen maar door een aparte regeling, de doorschuifregeling. Bij een volledige bedrijfsopvolging spelen beide dus tegelijk.
BOR, BOF en DSR: welke regeling doet wat?
In de praktijk circuleren drie afkortingen die vaak door elkaar worden gebruikt.
Afkorting | Voluit | Waar de regeling op ziet |
BOR | Bedrijfsopvolgingsregeling | Vrijstelling van schenk- en erfbelasting |
BOF | Bedrijfsopvolgingsfaciliteit | Andere benaming voor dezelfde regeling |
DSR | Doorschuifregeling | Doorschuiven van de inkomstenbelastingclaim in box 2 |
BOR en BOF zijn synoniemen; er bestaat geen inhoudelijk verschil. De DSR is een afzonderlijke regeling in de Wet inkomstenbelasting 2001 die op een andere belasting ziet. Verderop staat hoe beide samenwerken.
Voor wie de regeling in de praktijk verschil maakt
De BOR is relevant zodra een reële onderneming binnen de familie of aan een andere opvolger wordt overgedragen. Dat kan een eenmanszaak zijn, een aandeel in een vof of een aanmerkelijk belang in een BV.
Voor DGA's met een holdingstructuur weegt de regeling doorgaans het zwaarst. De waarde van het overgedragen vermogen is vaak substantieel, en de structuur bevat naast de onderneming regelmatig vermogen dat niet als ondernemingsvermogen kwalificeert. De vraag is dan niet of de BOR van toepassing is, maar op welk deel van het vermogen.
Hoe hoog is de BOR-vrijstelling in 2026?
Volledige vrijstelling tot € 1.543.500 en 75% daarboven
In 2026 gelden de volgende vrijstellingspercentages.
Waarde kwalificerend ondernemingsvermogen | Vrijstelling |
Tot € 1.543.500 | 100% |
Boven € 1.543.500 | 75% over het meerdere |
Het drempelbedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. In 2025 bedroeg het € 1.500.000, in 2024 was dit € 1.325.253 met een percentage van 83% boven de drempel.
Het deel dat na toepassing van de vrijstelling overblijft, wordt belast tegen het reguliere tarief van de schenk- of erfbelasting. Voor kinderen bedraagt dat tarief in 2026 10% tot € 158.669 en 20% daarboven.
Daarnaast geldt de persoonlijke vrijstelling, en die verschilt per situatie. Erft een kind, dan bedraagt de vrijstelling in 2026 € 26.230. Bij een schenking van ouder aan kind is de jaarlijkse vrijstelling € 6.908. De rekenvoorbeelden hierna gaan uit van vererving.
Een belangrijk kenmerk: de vrijstelling geldt per objectieve onderneming en niet per verkrijger. Zijn er meerdere opvolgers, dan wordt het vrijgestelde bedrag naar rato over hen verdeeld en niet per persoon opnieuw toegekend.
Waarover de vrijstelling wordt berekend: goingconcernwaarde en liquidatiewaarde
De vrijstelling wordt berekend over de goingconcernwaarde van de onderneming: de waarde in het economische verkeer bij voortzetting van de bedrijfsactiviteiten. Daarnaast wordt de liquidatiewaarde bepaald, de opbrengst wanneer de bedrijfsmiddelen afzonderlijk zouden worden verkocht.
Voor de heffing wordt uitgegaan van de hoogste van beide waarden. Ligt de liquidatiewaarde boven de goingconcernwaarde, dan is het verschil tussen beide waarden volledig vrijgesteld. Daarna wordt op de goingconcernwaarde de systematiek van 100% en 75% toegepast.
Dit speelt vooral bij activarijke ondernemingen met veel grond, vastgoed of machines. De waardering is daarmee geen formaliteit maar bepalend voor de uitkomst. Het is verstandig die bij leven met de Belastingdienst af te stemmen, zodat er na een overlijden geen discussie ontstaat op een moment dat de erfgenamen die er niet bij kunnen hebben.
Rekenvoorbeeld: onderneming van € 3 miljoen
Een ondernemer overlijdt en laat een BV na aan één kind. Het kwalificerende ondernemingsvermogen bedraagt € 3.000.000. Het kind zet de onderneming voort.
Post | Bedrag |
Waarde ondernemingsvermogen | € 3.000.000 |
Volledig vrijgesteld (100% tot € 1.543.500) | € 1.543.500 |
Restant | € 1.456.500 |
Vrijgesteld (75% van het restant) | € 1.092.375 |
Belaste verkrijging | € 364.125 |
Vrijstelling erfbelasting kind | € 26.230 |
Belastbaar | € 337.895 |
Erfbelasting 10% over € 158.669 | € 15.867 |
Erfbelasting 20% over € 179.226 | € 35.845 |
Totaal verschuldigde erfbelasting | circa € 51.700 |
De effectieve druk komt daarmee uit op ongeveer 1,7% van de ondernemingswaarde. Zonder de BOR zou over dezelfde verkrijging circa € 578.900 aan erfbelasting verschuldigd zijn, oftewel ongeveer 19,3%. De regeling levert in dit voorbeeld dus ruim een half miljoen euro op.
Rekenvoorbeeld: € 3 miljoen ondernemingsvermogen en € 1 miljoen beleggingsvermogen
Dezelfde situatie, maar nu bevat de holding naast de onderneming een beleggingsportefeuille van € 1.000.000. De totale waarde van de aandelen bedraagt € 4.000.000.
De BOR is uitsluitend van toepassing op het ondernemingsvermogen. Het beleggingsvermogen valt er volledig buiten en wordt regulier belast.
Post | Bedrag |
Belaste verkrijging na BOR (ondernemingsdeel) | € 364.125 |
Beleggingsvermogen, niet vrijgesteld | € 1.000.000 |
Totale verkrijging | € 1.364.125 |
Vrijstelling erfbelasting kind | € 26.230 |
Belastbaar | € 1.337.895 |
Erfbelasting 10% over € 158.669 | € 15.867 |
Erfbelasting 20% over € 1.179.226 | € 235.845 |
Totaal verschuldigde erfbelasting | circa € 251.700 |
De aanwezigheid van € 1.000.000 aan beleggingen verhoogt de aanslag met € 200.000, precies 20% over dat bedrag omdat het volledig in de tweede tariefschijf valt. Daar komt een claim in box 2 bij, want ook de doorschuifregeling ziet alleen op ondernemingsvermogen. De regeling beschermt de onderneming, niet het vermogen dat daarnaast in de structuur is opgebouwd.
Hoe de vrijstelling wordt verdeeld bij meerdere erfgenamen
De vrijstelling geldt per onderneming, niet per erfgenaam. Erven twee kinderen samen een onderneming van € 3.000.000, dan wordt het vrijgestelde bedrag van € 1.543.500 naar rato van hun verkrijging verdeeld. Bij een gelijke verdeling krijgt elk kind dus een volledige vrijstelling over € 771.750 en niet over € 1.543.500.
Over hun aandeel in het meerdere geldt vervolgens ieder de vrijstelling van 75%, wat per kind uitkomt op een belaste verkrijging van € 182.062. Daarop past ieder de eigen persoonlijke vrijstelling en de eigen tariefschijven toe.
De totale druk valt bij meerdere erfgenamen daardoor iets lager uit dan bij één erfgenaam. Het vrijgestelde ondernemingsvermogen zelf wordt echter niet vermenigvuldigd met het aantal opvolgers.
Uitstel van betaling en de conserverende aanslag
Blijft er na toepassing van de vrijstelling belasting verschuldigd, dan kunt u uitstel van betaling aanvragen. De Belastingdienst legt dan een conserverende aanslag op, die u in maximaal tien jaar mag voldoen. Over het openstaande bedrag is invorderingsrente verschuldigd.
Het uitstel spreidt het liquiditeitsprobleem, maar neemt het niet weg. De aanslag moet ergens vandaan komen: uit de kasstroom van de onderneming, uit dividend of uit privévermogen van de opvolger. Wie een overdracht voorbereidt, benoemt die bron vooraf.
Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?
Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?
Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.
Welke voorwaarden gelden voor de BOR?
Er moet sprake zijn van een actieve onderneming
De eerste en zwaarste voorwaarde is een materiële onderneming: een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid die deelneemt aan het economische verkeer. Het beheren van vermogen is geen onderneming.
Deze eis is bepalend voor structuren die in de loop der jaren zijn veranderd. Een BV die ooit een handelsonderneming dreef maar inmiddels vooral liquiditeiten en beleggingen bevat, kwalificeert niet meer. De Belastingdienst toetst de feitelijke situatie op het moment van overdracht, niet de historie.
De bezitseis: 1 jaar bij vererving, 5 jaar bij schenking
De schenker of erflater moet de onderneming een bepaalde periode in bezit hebben gehad.
Situatie | Bezitseis |
Vererving na overlijden | Minimaal 1 jaar |
Schenking bij leven | Minimaal 5 jaar |
Het verschil is verklaarbaar: bij overlijden is de timing niet te sturen, bij een schenking wel. De langere termijn voorkomt dat vermogen kort voor een voorgenomen overdracht in ondernemingsvermogen wordt omgezet.
Per 1 januari 2026 geldt een aanvullende regel voor ondernemers die op latere leeftijd nog vermogen in een onderneming omzetten. De bezitstermijn loopt dan geleidelijk op.
Situatie | Verlenging begint bij | Opbouw |
Vererving | Erflater meer dan 2 jaar boven de AOW-leeftijd | 6 maanden per extra jaar |
Schenking | Schenker meer dan 6 jaar boven de AOW-leeftijd | 6 maanden per extra jaar |
Is de schenker bijvoorbeeld 7 jaar ouder dan de AOW-leeftijd, dan bedraagt de bezitseis 5,5 jaar in plaats van 5 jaar. Er geldt een uitzondering wanneer de onderneming binnen twee jaar na het bereiken van de AOW-leeftijd is gestart; in dat geval blijft de reguliere termijn gelden. Laat dit bij een overdracht op latere leeftijd altijd doorrekenen.
De voortzettingseis: 3 jaar sinds 2025
De verkrijger moet de onderneming na de overdracht voortzetten. Voor verkrijgingen op of na 1 januari 2025 bedraagt die termijn drie jaar. Voor verkrijgingen van vóór die datum geldt nog de oude termijn van vijf jaar.
Gaat het om aandelen, dan moet de verkrijger die aandelen gedurende dezelfde periode behouden en moet de vennootschap de onderneming blijven drijven.
De eis wordt onder meer geschonden bij verkoop van de onderneming of een deel daarvan, bij verkoop van de aandelen, bij liquidatie en bij het wijzigen van de oorspronkelijke bedrijfsactiviteit. Sinds 1 januari 2026 hoeven bepaalde herstructureringen, zoals een wijziging van rechtsvorm of juridische structuur, de voortzettingseis niet te doorbreken. Dat geldt onder voorwaarden en met name wanneer de economische gerechtigdheid niet verandert. Het is dus niet zo dat iedere structuurwijziging automatisch neutraal uitpakt.
Minimumleeftijd van 21 jaar bij schenking
Bij een schenking moet de verkrijger op dat moment minimaal 21 jaar oud zijn. Deze eis geldt sinds 1 januari 2025. Bij vererving geldt geen minimumleeftijd; een minderjarig kind dat een onderneming erft, kan de BOR dus toepassen.
Een hardnekkig misverstand is dat deze leeftijdsgrens een dienstbetrekkingseis binnen de BOR zou hebben vervangen. De BOR heeft nooit een dienstbetrekkingseis gekend. De eis dat de opvolger 36 maanden in dienstbetrekking bij de vennootschap moest zijn geweest, gold uitsluitend voor de doorschuifregeling bij schenking van aanmerkelijkbelangaandelen. Die eis is per 2025 vervallen; de leeftijdsgrens van 21 jaar geldt sindsdien voor zowel de BOR als de DSR bij schenking.
Wat er gebeurt als u niet meer aan de voorwaarden voldoet
De vrijstelling is voorwaardelijk. Voldoet u binnen de voortzettingstermijn niet meer aan de eisen, dan vervalt de vrijstelling geheel of gedeeltelijk en is de schenk- of erfbelasting alsnog verschuldigd, vermeerderd met belastingrente.
U bent zelf verplicht dit te melden, met een aangifte die uiterlijk acht maanden na de schending binnen moet zijn. Wordt slechts een deel van de onderneming gestaakt of verkocht, dan vervalt de vrijstelling naar evenredigheid voor dat deel.
Welk vermogen kwalificeert voor de BOR?
Ondernemingsvermogen versus beleggingsvermogen
De BOR geldt alleen voor ondernemingsvermogen. Tot dat vermogen behoren zaken als voorraden, machines, bedrijfsgebouwen die in de onderneming worden gebruikt, goodwill, debiteuren en werkkapitaal.
Beleggingsvermogen valt buiten de regeling. Daaronder vallen effecten, overtollige liquiditeiten, verhuurd vastgoed en vorderingen die geen functie in de bedrijfsvoering hebben.
Voor bedrijfsmiddelen die zowel zakelijk als privé worden gebruikt geldt sinds 2025 een aparte regel, maar alleen wanneer aan twee voorwaarden tegelijk is voldaan: het bedrijfsmiddel heeft een waarde van minimaal € 103.000 (bedrag 2026) én het wordt voor meer dan 10% buiten de onderneming gebruikt. Is dat het geval, dan kwalificeert alleen het zakelijke deel. Blijft een bedrijfsmiddel onder een van beide grenzen, dan gelden de normale regels.
De BOR kent voor de afbakening van kwalificerend ondernemingsvermogen eigen regels. De gewone vermogensetikettering uit de inkomstenbelasting is daarvoor niet zonder meer beslissend; de Hoge Raad heeft dat uitdrukkelijk bevestigd. Doorslaggevend is de functie die een vermogensbestanddeel binnen de onderneming vervult. In de praktijk is dit het onderwerp waarover met de Belastingdienst het vaakst discussie ontstaat en waarover tot in hoogste instantie is geprocedeerd.
Overtollige liquiditeiten en effecten in de holding
Veel holdings bevatten liquide middelen die de onderneming feitelijk niet nodig heeft. Kasgeld dat als buffer voor de bedrijfsvoering dient, kan als ondernemingsvermogen kwalificeren. Kasgeld dat structureel op de balans staat zonder functie in de bedrijfsvoering, kwalificeert niet.
Waar de grens ligt, hangt af van de aard van de onderneming, de omvang van de kasstromen en de investeringsbehoefte. Een aannemersbedrijf heeft een andere legitieme buffer nodig dan een adviespraktijk. Een effectenportefeuille in de holding is vrijwel nooit ondernemingsvermogen.
Tot en met 2024 mocht beleggingsvermogen tot 5% van het ondernemingsvermogen worden meegeteld. Deze doelmatigheidsmarge is per 1 januari 2025 afgeschaft; elke euro beleggingsvermogen valt sindsdien buiten de vrijstelling.
Verhuurd vastgoed binnen de onderneming of holding
Aan derden verhuurd vastgoed wordt sinds 1 januari 2024 wettelijk als beleggingsvermogen aangemerkt, ongeacht de omvang van de activiteiten rond dat vastgoed en ongeacht of er actief wordt beheerd.
Vastgoed dat in de eigen onderneming wordt gebruikt, kan wel kwalificeren. Op dat punt lopen twee situaties makkelijk door elkaar.
Houdt u een bedrijfspand in privé en stelt u dat ter beschikking aan de vennootschap waarin u een aanmerkelijk belang heeft, dan kan dat pand onder voorwaarden meelopen in de BOR, mits het tegelijk met de aandelen wordt overgedragen en binnen de onderneming wordt gebruikt. Bij een gelijktijdige overdracht van aandelen en pand wordt de BOR toegepast op het saldo van de waarde van het pand en de daarop rustende schulden.
Zit het pand daarentegen in een aparte vennootschap die het uitsluitend verhuurt aan een andere vennootschap van dezelfde ondernemer, dan drijft die vastgoedvennootschap daarmee niet automatisch een onderneming. Verhuur blijft in beginsel beleggen, ook binnen de eigen groep. Of er sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer, hangt af van de feitelijke activiteiten. Bij een gemengde portefeuille moet dus per object én per vennootschap worden beoordeeld.
Welke aandelen in aanmerking komen: gewoon, preferent en gecertificeerd
De BOR is van toepassing op aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren. Gewone aandelen kwalificeren, mits aan de overige voorwaarden is voldaan.
Preferente aandelen zijn in beginsel uitgesloten. De wetgever ziet de houder daarvan meer als financier dan als ondernemer. Er geldt één uitzondering: preferente aandelen die zijn ontstaan in het kader van een gefaseerde bedrijfsopvolging kunnen onder voorwaarden wel kwalificeren.
Per 1 januari 2026 staat in de wet wat onder een preferent aandeel wordt verstaan. Doorslaggevend is of een aandeel voorrang heeft bij de winstverdeling of bij de liquidatieopbrengst. Nieuw is dat een aandeel ook gedeeltelijk preferent kan zijn; zulke hybride aandelen kwalificeren naar evenredigheid. Deze definitie is ruimer dan waar de praktijk tot dan toe van uitging. Structuren met letteraandelen die eigen winst- of agioreserves kennen, kunnen daardoor onbedoeld deels buiten de regeling vallen en verdienen een toets tegen de nieuwe definitie.
Certificaten van aandelen, uitgegeven via een stichting administratiekantoor, hoeven toepassing van de BOR niet in de weg te staan. Certificering kan fiscaal echter een vervreemding zijn. Alleen onder specifieke voorwaarden, waarbij certificaten en aandelen fiscaal met elkaar kunnen worden vereenzelvigd, blijft de faciliteit in stand. Sinds 2026 leidt certificering onder die voorwaarden ook niet meer tot het aanvangen van een nieuwe bezitstermijn. Laat een bestaande of voorgenomen certificering daarom toetsen voordat u op de faciliteit rekent.
BOR bij een eenmanszaak of vof
De BOR is niet voorbehouden aan BV-structuren. Ook bij een eenmanszaak of een aandeel in een vof kan de regeling worden toegepast, mits sprake is van een materiële onderneming en aan de bezits- en voortzettingseis wordt voldaan.
Het verschil zit in de inkomstenbelasting. Bij een IB-onderneming loopt de doorschuiving via een andere bepaling dan bij aanmerkelijkbelangaandelen, en gelden andere faciliteiten zoals de stakingsaftrek. De BOR-systematiek in de schenk- en erfbelasting is dezelfde.
Wat is er gewijzigd in 2025 en 2026?
De BOR is in drie stappen herzien. Onderstaand overzicht bevat de maatregelen die daadwerkelijk in werking zijn getreden.
Wijzigingen per 1 januari 2026
Wijziging | Gevolg |
Versoepeling bezits- en voortzettingseis | Herstructureringen, fusies, splitsingen, omzettingen en certificeringen leiden niet meer tot een nieuwe bezitstermijn of tot schending van de voortzettingseis, mits de economische gerechtigdheid ongewijzigd blijft |
Wettelijke definitie preferent aandeel | Ruimer begrip dan voorheen; aandelen kunnen gedeeltelijk preferent zijn en kwalificeren dan naar evenredigheid |
Verlengde bezitseis voor late starters | Bij een erflater of schenker die geruime tijd na de AOW-leeftijd met de onderneming is begonnen, loopt de bezitstermijn geleidelijk op |
Uitsluiting van dubbel gebruik | De BOR kan niet nogmaals worden toegepast voor zover dezelfde waarde al eerder met toepassing van de BOR door de verkrijger is verkregen en later opnieuw wordt geschonken of vererfd |
De versoepeling van de bezits- en voortzettingseis is voor de praktijk de belangrijkste van de vier. Zij neemt het knelpunt weg waardoor ondernemers jarenlang aarzelden hun structuur aan te passen uit angst de faciliteit te verliezen.
Wijzigingen per 1 januari 2024 en 2025
Datum | Wijziging |
1 januari 2024 | Aan derden verhuurd vastgoed wordt wettelijk aangemerkt als beleggingsvermogen |
1 januari 2025 | Vrijstelling naar 100% tot € 1.500.000 en 75% daarboven, in plaats van 100% tot € 1.325.253 en 83% daarboven |
1 januari 2025 | Voortzettingstermijn verkort van vijf naar drie jaar |
1 januari 2025 | Minimumleeftijd van 21 jaar bij schenking ingevoerd |
1 januari 2025 | Doelmatigheidsmarge van 5% voor beleggingsvermogen afgeschaft |
1 januari 2025 | Bedrijfsmiddelen met gemengd gebruik kwalificeren alleen voor het zakelijke deel |
1 januari 2025 | Dienstbetrekkingseis bij de doorschuifregeling vervallen |
Aangekondigde wijzigingen die niet zijn doorgevoerd
Een aantal maatregelen is wel aangekondigd maar uiteindelijk niet ingevoerd. Omdat deze in eerdere berichtgeving en in oudere overheidsinformatie nog als voorgenomen wijziging per 2026 wordt genoemd, is het nuttig ze expliciet te benoemen.
De belangrijkste is de beperking van de BOR en de DSR tot gewone aandelen met een belang van minimaal 5% van het geplaatste kapitaal. Die maatregel was juridisch gekoppeld aan twee verruimingen: een familietoets voor sterk verwaterde familiebelangen en een uitbreiding van de verwateringsregeling. Uit onderzoek bleek dat die verruimingen een aanzienlijk risico op ongeoorloofde staatssteun met zich brachten, waarop het kabinet besloot alle drie de maatregelen niet in te voeren. Met de vierde nota van wijziging van 24 november 2025 bij het Belastingplan 2026 zijn zij uit de Successiewet en de Wet inkomstenbelasting 2001 gehaald.
Praktisch betekent dit dat kleinere en fictieve aanmerkelijkbelangen, soortaandelen en lidmaatschapsrechten onder de bestaande regels blijven kwalificeren. Een volgend kabinet kan de versobering opnieuw voorstellen.
Hoe werken de BOR en de DSR samen?
BOR voor de schenk- en erfbelasting, DSR voor de box 2-claim
Bij de overdracht van aanmerkelijkbelangaandelen ontstaan twee belastingclaims tegelijk.
De eerste is de schenk- of erfbelasting over de waarde van de verkregen aandelen. Daarop is de BOR van toepassing.
De tweede is de inkomstenbelasting in box 2. Schenking en overlijden gelden fiscaal als vervreemding, waardoor wordt afgerekend over het verschil tussen de waarde van de aandelen en de verkrijgingsprijs. In 2026 bedraagt dat tarief 24,5% tot € 68.843 en 31% daarboven. De doorschuifregeling voorkomt die afrekening: de claim schuift door naar de opvolger, die ook de oorspronkelijke verkrijgingsprijs overneemt. De belasting wordt uitgesteld, niet kwijtgescholden.
Beide regelingen gelden alleen voor ondernemingsvermogen, maar zij trekken de grens niet identiek. Voor de BOR is de doelmatigheidsmarge van 5% per 2025 afgeschaft. Voor de DSR geldt die marge in 2026 nog wel: beleggingsvermogen tot 5% van de waarde van het ondernemingsvermogen kan daar nog meelopen. De afschaffing voor de DSR treedt pas in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Voor het beleggingsdeel van een holding moet dus in beginsel in box 2 worden afgerekend, ook wanneer de rest van de structuur onder beide faciliteiten valt.
Rekenvoorbeeld van een overdracht met beide regelingen
Een ondernemer overlijdt en laat aandelen na met een waarde van € 3.000.000, volledig ondernemingsvermogen. De verkrijgingsprijs van de aandelen bedraagt € 18.000. Het kind zet de onderneming voort.
Belasting | Met BOR en DSR |
Erfbelasting na toepassing van de BOR | circa € 51.700 |
Inkomstenbelasting box 2 | geen directe heffing, de claim schuift door |
Zonder beide faciliteiten zou over dezelfde verkrijging circa € 578.900 aan erfbelasting verschuldigd zijn en zou daarnaast in box 2 moeten worden afgerekend over het verschil tussen de waarde en de verkrijgingsprijs.
Die twee bedragen zijn echter niet zomaar bij elkaar op te tellen. Wordt er in box 2 direct afgerekend, dan ontstaat een inkomstenbelastingschuld die de omvang van de nalatenschap verlaagt en daarmee ook de erfbelasting drukt. Wordt de claim doorgeschoven, dan mag voor de erfbelasting juist rekening worden gehouden met een forfaitair vastgestelde latente inkomstenbelastingclaim van 6,25% van het verschil tussen de waarde van de aandelen en de verkrijgingsprijs. Die latentie wordt bovendien evenredig toegerekend aan het vrijgestelde en het niet-vrijgestelde deel van de verkrijging. De werkelijke uitkomst van beide routes vraagt dus een integrale berekening door een fiscalist.
Wat in elk geval blijft staan: de doorgeschoven box 2-claim verdwijnt niet. Verkoopt de opvolger de aandelen later, dan wordt afgerekend over het verschil met de oorspronkelijke verkrijgingsprijs van € 18.000 en niet met de waarde op het moment van vererving. Dat is een latente verplichting waar de opvolger rekening mee moet houden.
Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?
Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?
Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.
Wat de BOR betekent voor het beleggingsvermogen in uw holding
Waarom scheiding van ondernemings- en beleggingsvermogen jaren vooraf begint
Voor een ondernemer die naast zijn bedrijf enkele tonnen tot enkele miljoenen aan belegbaar vermogen in de structuur heeft opgebouwd, is de kernvraag niet of de BOR van toepassing is, maar op welk deel van het vermogen.
De verleiding is beleggingen kort voor een overdracht af te splitsen naar een aparte vennootschap. Dat lost het probleem niet op. De bezitseis van vijf jaar bij schenking betekent dat de structuur ruim voor de beoogde overdracht op orde moet zijn, en de Belastingdienst toetst de feitelijke situatie.
De versoepeling per 2026 helpt wel: herstructureringen waarbij de economische gerechtigdheid gelijk blijft, doen de bezitstermijn niet opnieuw aanvangen. Dat maakt het eenvoudiger een structuur op te schonen zonder de faciliteit te verliezen. De toets of iets ondernemings- of beleggingsvermogen is, verandert daar niet door.
Wat de afschaffing van de doelmatigheidsmarge in de praktijk kost
Tot en met 2024 mocht beleggingsvermogen tot 5% van het ondernemingsvermogen worden meegeteld als ondernemingsvermogen. Bij een onderneming van € 3.000.000 kwam daarmee € 150.000 aan beleggingen alsnog onder de vrijstelling.
Die marge is per 2025 vervallen. In absolute zin is het effect beperkt, maar het signaal is duidelijk: de wetgever accepteert geen vermenging meer. Waar voorheen een kleine buffer aan beleggingen onopgemerkt bleef, wordt nu elke post beoordeeld. Voor structuren waarin jarenlang winst is opgepot en belegd, is de uitkomst zelden marginaal.
Waar de liquiditeit voor de aanslag vandaan komt
Een belastingaanslag moet worden betaald, ook wanneer de verkregen waarde grotendeels in een onderneming vastzit. Dit is het punt waarop de fiscale planning en de inrichting van het vermogen elkaar raken.
De opvolger heeft drie bronnen: de kasstroom van de onderneming, een dividenduitkering uit de holding of eigen privévermogen. Een dividenduitkering kost zelf belasting in box 2, waardoor de benodigde bruto-uitkering aanzienlijk hoger ligt dan de netto aanslag.
In de praktijk komt de liquiditeit vaak uit het beleggingsvermogen in de holding, precies het deel dat niet is vrijgesteld. Een portefeuille waaruit binnen afzienbare termijn een substantieel bedrag moet worden onttrokken, vraagt een andere inrichting dan een portefeuille zonder onttrekkingshorizon. Stem de beleggingshorizon en het risicoprofiel daarom af op het moment waarop de aanslag wordt verwacht.
Het vermogen na de overdracht
Na een opvolging veranderen de vermogensposities aan beide kanten. De overdragende generatie houdt het vermogen over dat buiten de onderneming is gebleven: de beleggingsportefeuille, de liquiditeiten en eventueel vastgoed. Dat moet vaak voorzien in het inkomen voor de rest van het leven, waarmee de vraag verschuift van opbouw naar een bestendige uitkering.
De opvolgende generatie krijgt juist een geconcentreerde positie: een groot deel van het vermogen zit in één onderneming, met daarbovenop een doorgeschoven belastingclaim. Spreiding is daarmee geen theoretisch vraagstuk maar een concreet risicopunt.
Veelgestelde vragen
Wat betekent BOR?
BOR staat voor bedrijfsopvolgingsregeling. Het is een vrijstelling in de schenk- en erfbelasting voor de overdracht van ondernemingsvermogen aan een opvolger die de onderneming voortzet.
Wat is het verschil tussen de BOR en de BOF?
Er is geen verschil. BOF staat voor bedrijfsopvolgingsfaciliteit en is een andere benaming voor dezelfde regeling. Beide termen worden door elkaar gebruikt.
Hoeveel bedraagt de BOR-vrijstelling in 2026?
In 2026 is ondernemingsvermogen tot € 1.543.500 voor 100% vrijgesteld. Over het meerdere geldt een vrijstelling van 75%. Het resterende deel wordt belast tegen het reguliere tarief van de schenk- of erfbelasting.
Geldt de BOR ook voor beleggingsvermogen?
Nee. De BOR geldt uitsluitend voor kwalificerend ondernemingsvermogen. Effecten, overtollige liquiditeiten en andere beleggingen vallen erbuiten en worden regulier belast. De doelmatigheidsmarge van 5% die tot en met 2024 in de BOR gold, is per 2025 afgeschaft. Voor de doorschuifregeling in box 2 bestaat die marge in 2026 nog wel.
Geldt de BOR voor verhuurd vastgoed?
Aan derden verhuurd vastgoed wordt sinds 1 januari 2024 wettelijk aangemerkt als beleggingsvermogen en kwalificeert dus niet. Vastgoed dat binnen de eigen onderneming wordt gebruikt, kan wel kwalificeren. Een vennootschap die alleen een pand verhuurt aan een andere vennootschap van dezelfde ondernemer drijft daarmee echter niet automatisch een onderneming.
Kunt u de BOR toepassen via een holding?
Ja. De BOR kan worden toegepast op indirect via een holding gehouden aandelen. Ook dan kwalificeert alleen het ondernemingsvermogen; beleggingsvermogen binnen de structuur valt buiten de vrijstelling.
Hoe lang moet u het bedrijf voortzetten?
Voor verkrijgingen op of na 1 januari 2025 bedraagt de voortzettingstermijn drie jaar. Voor eerdere verkrijgingen geldt nog de termijn van vijf jaar. Bij aandelen moet u die aandelen gedurende dezelfde periode behouden.
Wat is het verschil tussen de BOR en de DSR?
De BOR is een vrijstelling in de schenk- en erfbelasting. De DSR, de doorschuifregeling, voorkomt afrekening van de inkomstenbelastingclaim in box 2 door die claim door te schuiven naar de opvolger. Bij een bedrijfsopvolging worden beide regelingen doorgaans gecombineerd toegepast. Zij trekken de grens rond beleggingsvermogen niet identiek: voor de DSR bestaat in 2026 nog een doelmatigheidsmarge van 5%, voor de BOR niet meer.
Hoe werkt de BOR bij meerdere erfgenamen?
De vrijstelling geldt per objectieve onderneming en niet per verkrijger. Het vrijgestelde bedrag wordt naar rato over de erfgenamen verdeeld. Elke erfgenaam past daarna wel de eigen persoonlijke vrijstelling en de eigen tariefschijven toe.
Hoe vraagt u de BOR aan?
De BOR wordt niet automatisch toegepast. U vermeldt in de aangifte schenkbelasting of erfbelasting dat u de vrijstelling wilt toepassen en onderbouwt daarbij de waarde van de onderneming. Een waardering door een adviseur is in vrijwel alle gevallen noodzakelijk.
Kunt u uw bedrijf belastingvrij aan uw kinderen schenken?
Volledig belastingvrij is mogelijk wanneer het kwalificerende ondernemingsvermogen onder de drempel van € 1.543.500 blijft en aan alle voorwaarden wordt voldaan. Daarboven blijft over 25% van het meerdere schenkbelasting verschuldigd, na aftrek van de jaarlijkse vrijstelling voor schenkingen van ouder aan kind van € 6.908 in 2026. De vrijstelling geldt bovendien alleen voor het ondernemingsdeel; beleggingsvermogen wordt regulier belast. Houd er ook rekening mee dat naast de schenkbelasting een claim in box 2 speelt.
door Joost van Löben Sels
Joost heeft veel ervaring met het adviseren van vermogende cliënten op het gebied van beleggen. Hij heeft onder andere gewerkt als beleggingsadviseur bij SNS Bank. Bij Vermogensbeheer.nl begeleidt hij vermogende particulieren, ondernemers, stichtingen en instellingen die op zoek zijn naar een goede en passende vermogensbeheerder. Joost is een ondernemer in hart en nieren en is daardoor ook goed in staat om ondernemers te adviseren bij hun beleggingsvraagstuk.
Gerelateerd:
- Pensioen opbouwen als DGA: privé of in de BV? - 15 maart 2022
- Uw lijfrente komt vrij, wat kunt u het beste doen? - 28 november 2024
- Estate planning: geef uw vermogen door zoals ú het wilt - 20 maart 2026
Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?
Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?
Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.