€100.000+ beleggen? Ontvang uw selectierapport. Gratis aanvragen

Hypotheek aflossen of beleggen: wat levert meer op?

19 oktober 2026 Onderwerp: Investeringen

Aflossen levert een grotendeels zekere besparing op: u bespaart de netto hypotheekrente en, wanneer u aflost met vermogen uit box 3, ook een deel van de heffing over dat vermogen. Beleggen kan meer opleveren, maar dat is onzeker en kost geld aan beheer en belasting. Voor wie het heffingsvrij vermogen al volledig benut, moet de portefeuille bij een hypotheekrente van 4% in 2026 ruim 5,5% bruto per jaar opleveren om aflossen te verslaan. Bij een rente van 2% ligt die lat nog altijd rond 4,4%. Hoe hoog de lat in uw geval precies ligt, hangt af van de omvang en de samenstelling van uw box 3-vermogen.

Wat u precies met elkaar vergelijkt

Aflossen levert een zeker rendement

Elke euro die u aflost op uw eigenwoningschuld verlaagt uw rentelast. Lost u € 100.000 af op een hypotheek met een rente van 4%, dan betaalt u € 4.000 per jaar minder rente. Gedurende de resterende rentevaste periode staat die besparing vast, ongeacht wat er op de beurs gebeurt. Daarna hangt de omvang van de besparing af van de rente die op dat moment zou hebben gegolden, en ook de fiscale waarde van de renteaftrek kan in de tussentijd wijzigen.

Daarnaast verlaagt het afgeloste bedrag uw vermogen in box 3, voor zover u boven het heffingsvrij vermogen uitkomt. Deze twee effecten samen vormen het rendement van aflossen. Het is grotendeels een risicovrij rendement, en dat maakt de vergelijking met beleggen ongelijk: u vergelijkt een grotendeels vaststaande uitkomst met een verwachtingswaarde.

Beleggen levert een onzeker rendement na kosten en belasting

Aan de andere kant van de weegschaal staat het rendement op uw portefeuille. Daarbij is het bruto marktrendement niet de juiste maatstaf. Wat u overhoudt, is het rendement na drie posten: de kosten van beheer en fondsen, de heffing in box 3, en de gerealiseerde uitkomst in plaats van het historische gemiddelde.

Bij vermogensbeheer liggen de totale kosten doorgaans tussen 0,7 en 1,7% per jaar, afhankelijk van de aanbieder en de omvang van uw portefeuille. De VBR-index meet het gemiddelde rendement van Nederlandse vermogensbeheerders na aftrek van kosten, juist omdat het verschil tussen bruto en netto zo bepalend is. In deze afweging werkt dat op dezelfde manier: de kosten komen volledig ten laste van de beleggingskant en verhogen dus de lat waar beleggen overheen moet.

Ook de spreiding rond het gemiddelde telt. Een verwacht rendement van 6% per jaar betekent niet dat u elk jaar 6% haalt. Over een periode van vijf jaar kan de uitkomst uiteenlopen van fors negatief tot ruim boven het gemiddelde. Aflossen kent die spreiding niet.

De enige vergelijking die telt: netto tegenover netto

De vergelijking die u wilt maken luidt: wat houd ik over als ik aflos, tegenover wat houd ik over als ik het bedrag belegd houd. Beide zijden moeten daarbij op dezelfde basis staan.

Aan de aflossingskant: de bespaarde rente na aftrek, plus de bespaarde box 3-heffing, min het eventuele nadeel dat het eigenwoningforfait na aflossing zwaarder gaat wegen.

Aan de beleggingskant: het verwachte marktrendement, min de kosten, min de box 3-heffing die u blijft betalen.

Wie bruto hypotheekrente afzet tegen bruto beursrendement, komt structureel tot de verkeerde conclusie. Dat is de fout die in vrijwel alle rekenvoorbeelden op internet terugkomt.

Wat box 1 en box 3 met de uitkomst doen

Uw hypotheekrente is nog maar tot 37,56% aftrekbaar

De hypotheekrenteaftrek is sinds 2014 stapsgewijs beperkt. In 2026 is de rente op uw eigenwoningschuld maximaal tegen 37,56% aftrekbaar, het tarief van de tweede schijf in box 1. Verdient u meer dan € 78.426, dan betaalt u over het meerdere van uw inkomen 49,50%, maar uw hypotheekrente trekt u nog steeds af tegen ten hoogste 37,56%. Valt uw inkomen volledig binnen de eerste schijf, die in 2026 loopt tot € 38.883 tegen 35,75%, dan is de aftrek navenant lager.

Dat verschil van bijna twaalf procentpunten wordt vaak onderschat. Wie ervan uitgaat dat zijn hypotheekrente hem netto ongeveer de helft kost, rekent zich rijk. Onderstaande tabel en alle verdere berekeningen in dit artikel gaan uit van een aftrek tegen 37,56%, het scenario dat voor de meeste lezers van dit artikel geldt:

Hypotheekrente

Netto rentelast na aftrek tegen 37,56%

1,5%

0,94%

2,0%

1,25%

3,0%

1,87%

4,0%

2,50%

5,0%

3,12%

Het gevolg is dat de aftrek voor lezers met een hoog inkomen minder waard is dan zij aannemen, en dat het break-evenpunt daarmee opschuift in de richting van aflossen.

Aflossen met box 3-vermogen levert een dubbel voordeel op

Uw eigenwoningschuld valt in box 1 en verlaagt uw grondslag in box 3 dus niet. Dat lijkt een nadeel, maar het is juist de reden dat aflossen met box 3-vermogen zo gunstig kan uitpakken: u haalt vermogen weg uit een box waarin het belast wordt, en u zet het in tegen een schuld die uw belastbare grondslag toch al niet verlaagde.

In 2026 bedraagt het tarief in box 3 36%. Voor overige bezittingen, waaronder uw beleggingsportefeuille, rekent de Belastingdienst met een forfaitair rendement van 6,00%. Over het deel van uw beleggingen dat boven het heffingsvrij vermogen uitkomt, komt de heffing daarmee neer op 2,16% per jaar. Lost u € 100.000 af met geld uit uw portefeuille en wordt het heffingsvrij vermogen al volledig benut door ander box 3-vermogen, dan bespaart u € 2.160 per jaar aan box 3-heffing, boven op de bespaarde netto rente.

Die aanname is bepalend en geldt lang niet altijd. Het heffingsvrij vermogen bedraagt in 2026 € 59.357 per persoon en € 118.714 voor fiscale partners, en daarover betaalt u geen heffing. Zijn die € 100.000 uw enige box 3-bezittingen, dan bedraagt de forfaitaire heffing voor iemand zonder fiscale partner circa € 878 in plaats van € 2.160. Voor fiscale partners blijft € 100.000 onder het gezamenlijke heffingsvrij vermogen en is de heffing nihil. Bij een mix van spaargeld, beleggingen en schulden rekent de Belastingdienst bovendien met een gewogen rendement over de gehele grondslag.

Let daarnaast op de peildatum. Voor de forfaitaire berekening telt uw vermogen op 1 januari. Een aflossing die u in de loop van 2026 doet, verlaagt uw forfaitaire grondslag per 1 januari 2026 niet meer en werkt pas door vanaf de peildatum 1 januari 2027. In ons artikel over vermogensbelasting vindt u de volledige set parameters voor 2026.

Dit is het punt waarop de afweging voor een vermogen vanaf € 100.000 wezenlijk anders uitpakt dan voor iemand met een spaarrekening van € 30.000. Wie ruim boven het heffingsvrij vermogen uitkomt, betaalt over elke extra euro belegd vermogen de volle 2,16% en bespaart dat bedrag dus ook bij aflossing.

Spaargeld of beleggingen inzetten scheelt aanzienlijk

De bron van het geld dat u inzet, bepaalt hoe groot dit tweede effect is. Voor banktegoeden geldt in 2026 een voorlopig forfaitair rendement van 1,28%, wat neerkomt op een heffing van circa 0,46% per jaar. Voor overige bezittingen is dat 2,16%.

Bron van de aflossing

Forfaitair rendement 2026

Vervallende box 3-heffing

Spaargeld en banktegoeden

1,28% (voorlopig)

circa 0,46% per jaar

Beleggingen en overige bezittingen

6,00% (definitief)

2,16% per jaar

Als vuistregel volgt daaruit dat aflossen met overtollig spaargeld bij een hypotheekrente boven circa 2,5% vaak aantrekkelijk uitpakt, omdat u een spaarrente van rond de 1,5% inruilt voor een besparing die daar doorgaans boven ligt. Of dat in uw situatie ook opgaat, hangt af van de rente die u werkelijk op uw spaargeld ontvangt, de mate waarin u het heffingsvrij vermogen benut, uw renteaftrek, een eventuele vergoedingsrente en de waarde die u aan liquiditeit hecht. Aflossen met beleggingen is vrijwel altijd een echte afweging, omdat u dan een verwacht rendement opgeeft dat hoger kan uitvallen dan de besparing.

In veel situaties ligt het daarom voor de hand om eerst overtollig spaargeld in te zetten en pas daarna eventueel beleggingen.

De tegenbewijsregeling begrenst het box 3-voordeel

Het voordeel van 2,16% geldt alleen zolang de forfaitaire berekening voor u de uitkomst bepaalt. Op grond van de Wet tegenbewijsregeling box 3 betaalt u belasting over uw werkelijke rendement wanneer dat lager uitvalt dan het forfaitair berekende box 3-inkomen. Voor dat werkelijke rendement tellen naast rente, dividend en huur ook ongerealiseerde waardeveranderingen mee. Beleggings- en beheerkosten zijn daarbij niet aftrekbaar, rente op box 3-schulden wel.

Belangrijk is dat bij de berekening van het werkelijke rendement geen heffingsvrij vermogen geldt. De Belastingdienst vergelijkt het werkelijke rendement over uw totale box 3-vermogen met het forfaitair berekende box 3-inkomen en gaat uit van de voordeligste uitkomst. Of tegenbewijs in enig jaar gunstiger is, hangt dus af van uw volledige vermogenssamenstelling en niet van het rendement op één portefeuille afzonderlijk.

Voor deze afweging betekent dat het volgende: het box 3-argument om af te lossen weegt het zwaarst voor wie jaar in jaar uit onder de forfaitaire berekening valt. Wie regelmatig een beroep op de tegenbewijsregeling doet, heeft een lagere effectieve heffing en daarmee ook een kleiner voordeel van aflossen.

Wat er verandert als box 3 overgaat op werkelijk rendement

Het kabinet werkt aan een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement, met beoogde invoering per 1 januari 2028. De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aan op 12 februari 2026. De Eerste Kamer heeft de stemming op 30 juni 2026 uitgesteld in afwachting van aangekondigde novelles, waarvan de uitwerking op Prinsjesdag 2026 wordt aangeboden. Het stelsel is dus nog niet definitief.

Als het voorstel in deze vorm doorgaat, verandert de afweging fundamenteel. Onder een heffing over werkelijk rendement bestaat het vaste forfait van 6,00% niet meer, en daarmee vervalt het argument dat aflossen een zeker box 3-voordeel van 2,16% oplevert. Wat overblijft is een heffing die meebeweegt met uw resultaat: in goede jaren betaalt u meer, in verliesjaren minder of niets.

Daarmee heeft de vraag of u nu moet aflossen ook een timingcomponent. Bij de beoogde invoering per 1 januari 2028 zouden 2026 en 2027 de laatste jaren zijn waarin het forfaitaire voordeel van aflossen in deze omvang kan optreden. Houd daarbij rekening met de peildatum: een aflossing gedurende 2026 werkt voor de forfaitaire berekening pas door vanaf 1 januari 2027. Een aflossing legt overigens geen voordeel voor toekomstige jaren vast, omdat forfaits, tarieven en uw eigen vermogenssituatie per jaar opnieuw worden bepaald. Volg de ontwikkelingen rond dit wetsvoorstel voordat u een onomkeerbare stap zet.

Volledig aflossen: eigenwoningforfait en de afbouw van de Wet Hillen

Wie zijn hypotheek volledig aflost, krijgt met een tegeneffect te maken. Het eigenwoningforfait blijft bestaan, ook zonder schuld. In 2026 bedraagt dat forfait 0,35% van de WOZ-waarde voor woningen tussen € 75.000 en € 1.350.000. Boven die grens geldt € 4.725 plus 2,35% over het meerdere, het zogenoemde villatarief.

Zolang uw hypotheekrente hoger is dan het forfait, wordt het forfait volledig weggestreept tegen uw renteaftrek. Zodra u weinig of geen rente meer betaalt, ontstaat een positieve bijtelling. De Wet Hillen compenseert die bijtelling, maar wordt afgebouwd en vervalt per 1 januari 2041. In 2026 krijgt u nog 71,867% van het verschil tussen forfait en aftrekbare kosten als aftrek, tegen 76,667% in 2025. Het resterende deel telt gewoon mee als inkomen.

Een rekenvoorbeeld. Bij een WOZ-waarde van € 1.200.000 bedraagt het eigenwoningforfait € 4.200. Zonder hypotheek is de Hillen-aftrek 71,867% daarvan, oftewel € 3.018. De resterende € 1.182 wordt bij uw inkomen in box 1 opgeteld en kost u bij een tarief van 37,56% circa € 444 per jaar. Dat bedrag loopt jaarlijks op naarmate de aftrek verder wordt afgebouwd.

Voor wie een inkomen boven € 78.426 heeft, ontstaat een samenloop tussen het hoogste box 1-tarief en de tariefsaanpassing voor de aftrek eigen woning. De Belastingdienst rekent die samenloop specifieker uit dan een eenvoudige vergelijking tussen een bijtelling tegen 49,50% en een aftrek tegen 37,56% suggereert; laat dit voor uw eigen situatie doorrekenen. Het effect is klein ten opzichte van de rentebesparing, maar het hoort wel in de berekening thuis en wordt groter naarmate 2041 nadert.

Met het SelectieRapport vergelijkt u gratis meerdere vermogensbeheerders.

Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?

Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?

Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.

Hoeveel moet beleggen opleveren om aflossen te verslaan?

De berekening in vier stappen

De vraag is te herleiden tot één getal: het bruto rendement dat uw portefeuille minimaal moet halen voordat beleggen aantrekkelijker is dan aflossen. Dat getal berekent u in vier stappen.

Stap één: vermenigvuldig uw hypotheekrente met 0,6244. Dat is uw netto rentelast na aftrek tegen 37,56%.

Stap twee: tel daar het box 3-effect bij op. Dat is 2,16% wanneer u aflost met beleggingen en circa 0,46% wanneer u aflost met spaargeld.

Stap drie: de uitkomst is het zekere rendement van aflossen.

Stap vier: tel uw totale beleggingskosten erbij op. De uitkomst is het bruto marktrendement dat beleggen jaarlijks moet opleveren om gelijk uit te komen.

Voor een aflossing uit beleggingen, bij totale kosten van 1% per jaar, levert dat het volgende beeld op. Onderstaande berekening veronderstelt dat uw heffingsvrij vermogen al volledig wordt benut door ander box 3-vermogen, zodat over elke extra euro belegging het volledige forfaitaire rendement van 6,00% in de berekening doorwerkt. Benut u het heffingsvrij vermogen niet volledig, dan valt het box 3-effect lager uit en daalt het vereiste rendement navenant.

Hypotheekrente

Netto rentelast

Box 3-effect

Zeker rendement aflossen

Vereist bruto rendement

1,5%

0,94%

2,16%

3,10%

4,10%

2,0%

1,25%

2,16%

3,41%

4,41%

3,0%

1,87%

2,16%

4,03%

5,03%

4,0%

2,50%

2,16%

4,66%

5,66%

5,0%

3,12%

2,16%

5,28%

6,28%

Het opvallende resultaat staat bovenaan. Zelfs bij een hypotheekrente van 1,5% moet uw portefeuille onder deze aannames ruim 4% bruto per jaar opleveren om aflossen te verslaan. Dat komt vrijwel volledig door box 3.

Hoe sterk de aanname doorwerkt, laat het volgende zien. Vormt de af te lossen € 100.000 uw enige box 3-bezitting, dan ligt het break-evenpunt bij een hypotheekrente van 4% grofweg rond 4,4% zonder fiscale partner en rond 3,5% met fiscale partner, in plaats van de 5,66% uit de tabel. Bij € 250.000 en een hypotheekrente van 2% gaat het om circa 3,9% zonder en circa 3,4% met fiscale partner. Reken daarom met uw eigen box 3-positie in plaats van met het tabelgemiddelde.

€ 100.000 bij een hypotheekrente van 4%

Uitgangspunt: een hypotheek van € 400.000 tegen 4%, volledig aftrekbaar. U heeft € 100.000 vrij beschikbaar in uw beleggingsportefeuille. De totale beleggingskosten bedragen 1% per jaar en u rekent met een verwacht bruto rendement van 6%. Uw box 3-vermogen is groter dan € 100.000, zodat het heffingsvrij vermogen al door ander vermogen wordt benut.

Lost u af, dan resteert een hypotheek van € 300.000. Uw netto rentelast bedraagt € 300.000 maal 4% maal 0,6244, oftewel € 7.493 per jaar. Over het afgeloste bedrag betaalt u geen box 3-heffing meer en u ontvangt er geen rendement meer op.

Belegt u door, dan blijft de hypotheek € 400.000 en bedraagt uw netto rentelast € 9.991. Over de € 100.000 betaalt u € 2.160 box 3-heffing. Daar staat een rendement na kosten van 5%, oftewel € 5.000, tegenover.

Het verschil bedraagt € 342 per jaar in het voordeel van beleggen. Dat is 0,34% op € 100.000. Bij een verwacht rendement van 6% wint beleggen dus, maar met een marge die kleiner is dan de gebruikelijke jaarlijkse schommeling van een gemengde portefeuille. U neemt volledig marktrisico voor een verwacht voordeel van enkele honderden euro's. Valt het rendement uit op 5% in plaats van 6%, dan wint aflossen met circa € 660 per jaar.

€ 250.000 bij een hypotheekrente van 2%

Uitgangspunt: een hypotheek van € 600.000 tegen 2%, vastgezet in 2021 met nog vijftien jaar rentevast. U heeft € 250.000 beschikbaar. Dezelfde aannames voor kosten en rendement, en ook hier wordt het heffingsvrij vermogen al door ander box 3-vermogen benut.

Lost u volledig af, dan resteert € 350.000 hypotheek en een netto rentelast van € 4.371 per jaar. Belegt u door, dan bedraagt uw netto rentelast € 7.493, betaalt u € 5.400 box 3-heffing en ontvangt u € 12.500 aan rendement na kosten.

Beleggen komt hier € 3.978 per jaar gunstiger uit, oftewel 1,59% op € 250.000. Bij een lage hypotheekrente wint beleggen dus duidelijk, precies zoals de intuïtie voorschrijft. Wat de intuïtie niet voorschrijft is hoe hoog de lat toch nog ligt: het break-evenpunt ligt onder deze aannames op 4,41% bruto rendement per jaar. Wie een defensieve portefeuille aanhoudt die op 4% mikt, komt bij een hypotheekrente van 2% dus alsnog gunstiger uit met aflossen.

Een praktische kanttekening bij dit voorbeeld: bij een contract met 10% boetevrije aflosruimte per jaar kunt u op een hypotheek van € 600.000 jaarlijks € 60.000 zonder vergoeding aflossen, waardoor een aflossing van € 250.000 over ruim vier jaar gespreid moet worden. Staat uw contract 20% toe, dan volstaat twee jaar. Controleer uw eigen voorwaarden.

€ 500.000 naast een relatief kleine hypotheek

Uitgangspunt: een woning met een WOZ-waarde van € 1.200.000, een aflossingsvrije hypotheek van € 200.000 tegen 3%, en een beleggingsportefeuille van € 500.000. De vraag is of u de hypotheek volledig aflost.

Hier telt het Hillen-effect mee. Bij doorbeleggen bedraagt uw rente € 6.000 en uw eigenwoningforfait € 4.200, wat per saldo een aftrek van € 1.800 oplevert en dus € 676 belastingvoordeel. Bij volledige aflossing verdwijnt de rente, blijft het forfait van € 4.200 staan en resteert na de Hillen-aftrek een bijtelling van € 1.182, die u circa € 444 kost.

Doorrekening van beide scenario's over een jaar, bij 5% rendement na kosten:

Volledig aflossen

Belegd houden

Hypotheek na afloop

€ 0

€ 200.000

Netto woonlast box 1

€ 444

€ 5.324

Box 3-heffing

€ 6.480

€ 10.800

Rendement na kosten

€ 15.000

€ 25.000

Netto resultaat

€ 8.076

€ 8.876

Belegd houden wint met € 800 per jaar. Het break-evenpunt ligt hier op circa 5,6% bruto rendement, waarvan 0,56 procentpunt wordt veroorzaakt door het Hillen-effect. Naarmate de Hillen-aftrek verder wordt afgebouwd, verschuift dit break-evenpunt jaarlijks verder in het nadeel van volledig aflossen.

Bij een vermogen van deze omvang verschuift de vraag bovendien van rendement naar structuur. Volledig aflossen betekent hier dat € 200.000 van uw liquide vermogen definitief vast komt te zitten in de woning, terwijl de resterende € 300.000 uw enige beschikbare buffer wordt.

Kijk verder dan rendement: uw totale vermogensbalans

Hoeveel van uw vermogen zit al in uw woning?

Neem een huishouden met een woning van € 900.000, een hypotheek van € 300.000 en een beleggingsportefeuille van € 300.000. Het nettovermogen bedraagt € 900.000, waarvan twee derde in de eigen woning zit.

Lost dit huishouden de hypotheek volledig af, dan zit het volledige nettovermogen van € 900.000 in één onroerend goed op één locatie, en resteert geen liquide vermogen. Dat is een concentratie die u in een beleggingsportefeuille nooit zou accepteren. Dat de woning aanvoelt als iets anders dan een belegging, verandert niets aan het feit dat het een activum is met een marktwaarde die kan dalen.

De vraag is dus niet alleen of aflossen rendeert, maar of u na de aflossing nog een vermogensverdeling overhoudt waar u achter staat. Wie de eigen woning meetelt als vermogenscategorie, komt vaak tot een andere conclusie dan wie alleen naar het rendement kijkt.

Welk deel van uw vermogen wilt u liquide houden?

Vermogen dat in stenen zit, is niet beschikbaar. U kunt het alleen vrijmaken door te verkopen of door opnieuw te lenen, en dat laatste is niet vanzelfsprekend: banken beoordelen een nieuwe aanvraag op uw inkomen op dat moment, niet op uw vermogen.

Loop daarom uw voorzienbare uitgaven langs voordat u aflost. Denk aan een verbouwing of verduurzaming, ondersteuning van kinderen bij een woningaankoop, schenkingen binnen uw estate planning, de aankoop van een tweede woning, een periode van lager inkomen, of een investering in uw onderneming. Een aflossing die uw buffer wegneemt, kan u later dwingen tot een dure herfinanciering.

Risicobereidheid is iets anders dan risicodraagkracht

Risicobereidheid gaat over wat u kunt verdragen aan koersschommelingen zonder slecht te slapen. Risicodraagkracht gaat over de vraag of uw financiële positie een tegenvaller aankan zonder dat uw plannen in gevaar komen.

Die twee lopen vaak uiteen. Iemand die bereid is risico te nemen, maar zijn vermogen over vijf jaar nodig heeft voor de aflossing van een aflossingsvrij deel, heeft een beperkte draagkracht ongeacht zijn bereidheid. Omgekeerd kan iemand met een ruim pensioen en een lange horizon een forse daling opvangen, ook als hij die liever niet meemaakt.

In deze afweging telt de draagkracht zwaarder. Aflossen verlaagt uw risico structureel, doordat het uw vaste lasten en uw schuldpositie verkleint. Beleggen verhoogt uw verwachte vermogen maar laat het risico staan.

Praktische beperkingen bij extra aflossen

Boetevrije aflosruimte en vergoedingsrente

Hypotheekverstrekkers staan doorgaans toe dat u jaarlijks 10 tot 20% van de oorspronkelijke hoofdsom boetevrij aflost. Een uniforme marktregel bestaat niet: het percentage, de grondslag en de voorwaarden verschillen per aanbieder en per leningdeel. Bij een variabele rente of aan het einde van een rentevaste periode geldt de beperking meestal niet. Controleer daarom altijd uw eigen offerte of hypotheekakte.

Lost u meer af, dan kan de verstrekker vergoedingsrente in rekening brengen. Die vergoeding compenseert het renteverlies over de resterende rentevaste periode en kan bij een oude hypotheek met een hoge contractrente aanzienlijk oplopen. Bij een lage contractrente, bijvoorbeeld een lening die in 2021 tegen 1,5% is vastgezet, is de vergoedingsrente meestal nihil omdat de marktrente inmiddels hoger ligt.

De praktische consequentie is dat een grote aflossing vaak over meerdere jaren gespreid moet worden. Dat betekent ook dat u de afweging niet eenmalig maakt, maar jaarlijks opnieuw, telkens onder de fiscale regels van dat moment.

Een lagere LTV kan de rente op het restant verlagen

Hypotheekverstrekkers werken met risicoklassen op basis van de verhouding tussen de lening en de woningwaarde. Zakt u door aflossing of door waardestijging van uw woning naar een lagere klasse, dan kan de rente op uw hele resterende hypotheek omlaag.

Waar die klassegrenzen liggen en hoe groot de opslagen per stap zijn, verschilt per aanbieder en per hypotheekproduct; een marktbrede standaard bestaat niet. Het effect kan wel aanzienlijk zijn: bij een hypotheek van € 400.000 levert een verlaging van 0,2 procentpunt € 800 per jaar op, en dat geldt over de volledige schuld en niet alleen over het afgeloste deel.

Dit kan een gerichte aflossing net over een klassegrens heen aanzienlijk rendabeler maken dan de standaardberekening laat zien. De meeste verstrekkers passen de klasse niet automatisch aan, en een taxatie kan nodig zijn. Vraag dit expliciet na bij uw geldverstrekker voordat u aflost.

De afweging richting pensioen

Lagere maandlasten tegenover minder beschikbaar vermogen

Na pensionering daalt uw inkomen doorgaans, terwijl uw woonlasten gelijk blijven. Een lagere hypotheek verlaagt uw vaste lasten precies op het moment dat uw inkomen krimpt, en dat is een reëel argument dat losstaat van het rendement.

Daar staat tegenover dat uw vermogen na aflossing minder beschikbaar is, terwijl juist in deze fase de behoefte aan flexibiliteit toeneemt. Zorgkosten, aanpassingen aan de woning en ondersteuning van kinderen komen vaak in dezelfde periode.

Een deel van de afweging is daarom niet financieel maar praktisch: wilt u lage vaste lasten met weinig speelruimte, of hogere lasten met een liquide buffer waaruit u die lasten kunt voldoen?

Een aflossingsvrije hypotheek die afloopt

Circa 45% van de totale Nederlandse hypotheekschuld is aflossingsvrij, en een groot deel van die contracten loopt af tussen 2035 en 2040. Aan het einde van de looptijd moet de schuld in één keer worden voldaan, door aflossing uit vermogen, door herfinanciering of door verkoop van de woning.

Voor wie over voldoende vermogen beschikt, is dit geen probleem maar een planningsvraag. De relevante vraag luidt: bouwt u het benodigde bedrag op door te beleggen, of lost u geleidelijk af zodat er aan het einde niets meer resteert?

Beleggen richting die einddatum vergt discipline en een horizon die lang genoeg is. Ligt de einddatum binnen tien jaar, dan is het rendementsvoordeel van beleggen doorgaans te onzeker om de aflossingsverplichting volledig op te baseren en ligt geleidelijk aflossen vaak meer voor de hand. Ligt de einddatum verder weg, dan kan beleggen een verantwoorde route zijn, mits u de opgebouwde middelen ook daadwerkelijk voor dit doel reserveert.

Let daarbij op dat verschillende grootbanken hun beleid voor aflossingsvrije hypotheken in 2026 hebben aangescherpt, in een aantal gevallen naar maximaal 30% van de woningwaarde en met een absolute bovengrens rond € 150.000 bij nieuwe leningen en oversluitingen. Verificatie van uw eigen voorwaarden bij uw geldverstrekker is aan te raden voordat u ervan uitgaat dat herfinanciering te zijner tijd mogelijk is.

Herfinancieren wordt lastiger bij een lager inkomen

Een hypotheekverstrekker toetst een nieuwe aanvraag of verlenging op uw inkomen, niet op uw vermogen. Na pensionering is dat inkomen doorgaans lager, waardoor de maximale hypotheek daalt. Dat kan betekenen dat een aflossingsvrij deel dat u wilde doorrollen, niet volledig gehandhaafd kan blijven.

Sommige aanbieders hanteren aanvullende mogelijkheden voor senioren, waarbij vermogen of overwaarde wel wordt meegewogen. De voorwaarden verschillen sterk. Wie erop rekent te kunnen herfinancieren, doet er goed aan dat ruim voor het aflopen van de rentevaste periode te toetsen in plaats van erop te vertrouwen.

Met het SelectieRapport vergelijkt u gratis meerdere vermogensbeheerders.

Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?

Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?

Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.

Deels aflossen en deels beleggen

De keuze is zelden binair. Een gedeeltelijke aflossing combineert een deel van de zekerheid met een deel van het rendementspotentieel, en past bij wie zowel het schuldrisico wil verkleinen als de portefeuille in stand wil houden.

Eerst het hypotheekrisico verminderen

Begin bij het deel van de schuld dat het meeste risico draagt. Dat is doorgaans het aflossingsvrije deel, en in het bijzonder het deel waarvan de looptijd of de rentevaste periode het eerst afloopt. Een gerichte aflossing die u net onder een risicoklassegrens brengt, levert bovendien het extra rentevoordeel op dat hierboven is beschreven.

Een deel liquide houden

Bepaal vervolgens welk bedrag beschikbaar moet blijven. Een gebruikelijke maatstaf is een buffer die uw vaste lasten voor twaalf tot vierentwintig maanden dekt, vermeerderd met de bedragen die u binnen vijf jaar concreet nodig heeft. Dat deel hoort niet in de afweging thuis: het wordt niet afgelost en niet belegd.

Het restant beleggen

Wat overblijft, is het bedrag waarvoor de rendementsvergelijking daadwerkelijk geldt. Voor dat deel geldt een horizon die lang genoeg is en een risicoprofiel dat bij uw draagkracht past.

Een uitwerking met € 250.000 beschikbaar, bij een hypotheek van € 600.000 tegen 2% en een rendement na kosten van 5%:

Alles aflossen

Alles beleggen

€ 100.000 aflossen en € 150.000 beleggen

Hypotheek na afloop

€ 350.000

€ 600.000

€ 500.000

Netto rentelast

€ 4.371

€ 7.493

€ 6.244

Box 3-heffing over ingezet vermogen

€ 0

€ 5.400

€ 3.240

Rendement na kosten

€ 0

€ 12.500

€ 7.500

Netto resultaat

€ 4.371 negatief

€ 393 negatief

€ 1.984 negatief

Liquide vermogen na afloop

€ 0

€ 250.000

€ 150.000

De tussenvariant levert hier een resultaat op dat tussen beide uitersten in ligt, met de helft van de liquiditeit van de beleggingsvariant. Dat is geen compromis uit besluiteloosheid maar een bewuste keuze voor een lager risicoprofiel tegen een beperkte prijs.

Aflossen als DGA: waar haalt u het geld vandaan?

Privévermogen of dividend uit de BV

Voor een directeur-grootaandeelhouder luidt de vraag vaak niet of hij moet aflossen, maar waar het geld vandaan komt. Staat het vermogen al privé in box 3, dan geldt de berekening hierboven onverkort. Zit het in de BV, dan verandert de som ingrijpend.

Om € 100.000 privé beschikbaar te krijgen, moet u dividend uitkeren en daarover afrekenen in box 2. In 2026 bedraagt dat tarief 24,5% tot een box 2-inkomen van € 68.843, en 31% daarboven. Voor fiscale partners geldt de eerste schijf gezamenlijk tot € 137.686. Een uitkering van € 132.450 aan fiscale partners levert na € 32.450 belasting precies € 100.000 netto op.

De vraag wordt daarmee: is het verstandig om € 132.450 aan vermogen uit de BV te halen om € 100.000 aan schuld af te lossen?

Wat de box 2-heffing met de afweging doet

Twee effecten verschuiven de uitkomst in het nadeel van aflossen.

Het eerste is dat het box 3-voordeel verdwijnt. Vermogen in de BV valt niet in box 3, dus de besparing van 2,16% per jaar die het aflossen voor een privébelegger zo aantrekkelijk maakt, bestaat hier niet. Het zekere rendement van aflossen bestaat voor de DGA alleen uit de bespaarde netto rente. Bij een hypotheekrente van 4% is dat 2,50%, tegenover 4,66% voor iemand die aflost met privévermogen uit box 3.

Het tweede is dat het rendement in de BV wordt belast tegen vennootschapsbelasting, in 2026 19% tot een winst van € 200.000 en 25,8% daarboven, met een uitgestelde box 2-claim over de uitkering. Die uitgestelde claim verdwijnt niet, maar het uitstel zelf heeft waarde. Een portefeuille die in de BV blijft, rendeert over een grotere basis dan hetzelfde bedrag na afrekening in box 2.

De praktische conclusie is dat aflossen met BV-vermogen zelden zuiver financieel gedreven is. Het wordt wel aantrekkelijk wanneer u de box 2-heffing toch al moet nemen, bijvoorbeeld omdat u tegen de grens van de Wet excessief lenen aanloopt of omdat u de lage schijf in box 2 anders onbenut laat. De bredere afweging tussen vermogen in de BV en privé behandelen wij in beleggen in de BV of privé.

Een eigenwoninglening bij uw eigen BV

Een derde route is de eigenwoningschuld onderbrengen bij uw eigen BV in plaats van bij een bank. De rente is dan onder voorwaarden aftrekbaar in box 1 tegen maximaal 37,56%, terwijl diezelfde rente bij de BV als winst wordt belast met vennootschapsbelasting.

Het is verleidelijk om het voordeel te berekenen als het verschil tussen die tarieven, maar zo eenvoudig ligt het niet. De rente die de BV ontvangt, wordt eerst belast met vennootschapsbelasting, en over het resterende vermogen kan bij een latere uitkering nog box 2-heffing volgen. De gecombineerde druk ligt daardoor hoger dan het vennootschapsbelastingtarief alleen. Wat wel waarde heeft, is het uitstel van de box 2-heffing en het gegeven dat de rente binnen uw eigen structuur blijft in plaats van naar een bank te vloeien. Of dat per saldo gunstiger uitpakt dan een bancaire hypotheek, verschilt per situatie en vraagt om een doorrekening.

Twee regimes stellen daarbij verschillende eisen, en die worden in de praktijk vaak door elkaar gehaald. Voor de renteaftrek in box 1 gelden de gewone eisen van de eigenwoningregeling: de lening is aangegaan voor de eigen woning, de rente wordt daadwerkelijk betaald en is marktconform, en waar van toepassing geldt de annuïtaire aflossingseis. Een notarieel hypotheekrecht is voor die renteaftrek geen voorwaarde. Voor de Wet excessief lenen ligt dat anders: eigenwoningschulden blijven alleen buiten de grens van € 500.000 wanneer ten gunste van de BV een recht van hypotheek op de woning is gevestigd. Voor eigenwoningschulden die op 31 december 2022 al bestonden, geldt die hypotheekrechtvoorwaarde niet. Ontbreekt het hypotheekrecht bij een lening van na 2022, dan telt de schuld wel mee en kan het meerdere in box 2 worden belast.

Deze route verandert de afweging: als u tegen een gunstiger effectief tarief kunt lenen bij uw eigen BV dan bij een bank, wordt aflossen minder aantrekkelijk. Laat de opzet altijd door uw fiscalist beoordelen, omdat de gevolgen bij een onjuiste vormgeving aanzienlijk zijn.

Wanneer aflossen logischer is en wanneer beleggen

Aflossen wordt aantrekkelijker bij

Beleggen wordt aantrekkelijker bij

Een hypotheekrente boven circa 4%

Een hypotheekrente onder circa 2,5%

Een horizon korter dan tien jaar

Een horizon langer dan tien jaar

Aflossen met overtollig spaargeld

Aflossen zou de portefeuille aantasten

Een beperkte risicodraagkracht

Een ruime risicodraagkracht

Een aflossingsvrij deel dat binnenkort afloopt

Een lange resterende looptijd

Voldoende liquide buffer die overblijft

Beperkte liquiditeit buiten de portefeuille

Een aflossing die net onder een risicoklasse brengt

Een LTV die al in de laagste klasse valt

Een defensieve portefeuille met een laag verwacht rendement

Een offensieve portefeuille met een lange horizon

Vermogen dat al privé in box 3 staat

Vermogen dat eerst uit de BV moet komen

Een relatief klein deel van het vermogen in de woning

Een groot deel van het vermogen al in de woning

Geen van deze factoren is op zichzelf doorslaggevend. Wie op de meeste punten in de linkerkolom uitkomt, heeft een sterk argument om af te lossen. Wie verspreid over beide kolommen scoort, komt doorgaans uit bij een gedeeltelijke aflossing.

Veelgestelde vragen

Is het verstandiger om mijn hypotheek af te lossen of te beleggen?

Dat hangt af van uw hypotheekrente, de bron van het vermogen, uw box 3-positie en uw horizon. Aflossen levert een grotendeels zekere besparing op ter hoogte van uw netto hypotheekrente plus de bespaarde box 3-heffing. Bij een rente van 4%, aflossing uit beleggingen en een heffingsvrij vermogen dat al volledig wordt benut, komt dat in 2026 neer op circa 4,66% per jaar. Beleggen moet dat na kosten overtreffen om aantrekkelijker te zijn.

Bij welke hypotheekrente wordt aflossen aantrekkelijk?

Voor wie het heffingsvrij vermogen al volledig benut, ligt het vereiste bruto rendement bij een hypotheekrente boven 4% in 2026 boven 5,6% per jaar, waardoor aflossen voor veel beleggers aantrekkelijker uitpakt dan doorbeleggen. Tussen 2 en 4% hangt de uitkomst af van uw verwachte rendement, uw kosten en uw box 3-positie. Onder 2% wint beleggen doorgaans, mits uw horizon lang genoeg is.

Wat is het effect van box 3 op deze keuze?

Aflossen met vermogen uit box 3 bespaart u in 2026 de heffing over dat vermogen: tot 2,16% per jaar bij beleggingen en circa 0,46% bij spaargeld, voor zover u boven het heffingsvrij vermogen van € 59.357 per persoon uitkomt. Dat komt boven op de bespaarde netto rente en verhoogt de lat voor beleggen aanzienlijk. Houd rekening met de peildatum van 1 januari: een aflossing gedurende het jaar werkt forfaitair pas door in het volgende jaar. Uw eigenwoningschuld zelf verlaagt uw box 3-grondslag niet, omdat die in box 1 valt.

Is het verstandig mijn hypotheek volledig af te lossen?

Volledig aflossen is niet vanzelfsprekend de beste keuze. Het eigenwoningforfait blijft bestaan en wordt sinds de afbouw van de Wet Hillen nog maar voor 71,867% gecompenseerd, een percentage dat jaarlijks daalt tot de regeling in 2041 vervalt. Daarnaast komt een groot deel van uw vermogen dan in één activum vast te zitten. Een gerichte aflossing die u in een gunstigere risicoklasse brengt, levert vaak meer rendement per afgeloste euro op dan volledige aflossing.

Wat is verstandig bij een aflossingsvrije hypotheek?

Bij een aflossingsvrije hypotheek weegt de resterende looptijd zwaar. Loopt de hypotheek binnen tien jaar af, dan is het rendementsvoordeel van beleggen doorgaans te onzeker om de aflossingsverplichting volledig op te baseren en ligt geleidelijk aflossen vaak meer voor de hand. Is de looptijd langer, dan kan beleggen een verantwoorde route zijn, mits u de opbrengst daadwerkelijk voor de aflossing reserveert en tijdig toetst of herfinanciering mogelijk blijft.


Noël de Sévaux

door Noël de Sévaux

Noël heeft ruime ervaring in de financiële dienstverlening opgedaan. Dat deed hij als private banker bij o.a. ING en Rabobank. Tevens heeft hij als docent gewerkt aan de opleiding financiële planning. Noël heeft ruime ervaring met het adviseren van cliënten bij het nemen van financiële beslissingen op belangrijke momenten in hun leven. Bij Vermogensbeheer.nl begeleidt hij vermogende particulieren, ondernemers, stichtingen en instellingen die op zoek zijn naar de juiste vermogensbeheerder.

Gerelateerd:

Met het SelectieRapport vergelijkt u gratis meerdere vermogensbeheerders.

Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?

Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?

Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.