Direct meer informatie over Selectierapport Vermogensplan

Beleggen in obligaties in 2026: rendement, risico's en fiscale behandeling

20 mei 2026 Onderwerp: Investeringen

Een obligatie is een verhandelbare lening die u verstrekt aan een overheid of bedrijf. In ruil ontvangt u periodiek rente (de coupon) en op de einddatum krijgt u de nominale waarde terug, mits de uitgever aan zijn verplichtingen voldoet. Voor vermogende beleggers vormen obligaties traditioneel het defensieve fundament van de portefeuille. Na een decennium van uitzonderlijk lage rentes is dat fundament in 2026 weer aantrekkelijk: in mei 2026 noteert de tienjarige Nederlandse staatsrente rond de 3,1% en brede euro investment-grade bedrijfsobligaties leveren ongeveer 3,5% tot 4% effectief rendement. Tegelijkertijd vraagt de fiscale behandeling in box 3 om scherpere afwegingen dan ooit. In dit artikel leest u hoe obligaties werken, welke soorten er zijn, hoe u erin belegt of ze rechtstreeks koopt, en hoe u ze fiscaal optimaal inzet.

Wat is een obligatie

Een obligatie is een schuldbewijs. Wanneer u een obligatie koopt, leent u geld uit aan de uitgever en wordt u schuldeiser. De uitgever, ook wel de debiteur genoemd, kan een land zijn, een overheidsinstelling, een supranationale entiteit zoals de Europese Investeringsbank, of een onderneming. De voorwaarden van de lening liggen vast bij uitgifte: het rentepercentage, de uitkeringsdata, de looptijd en de aflossingsmodaliteiten.

In tegenstelling tot een banklening is een obligatie verhandelbaar. U kunt uw positie tussentijds verkopen op de beurs aan een andere belegger, tegen de op dat moment geldende marktprijs. Daarmee verschilt een obligatie wezenlijk van een deposito of spaarrekening, waar u uw geld vastzet bij één bank.

Couponrente, hoofdsom en looptijd

Drie elementen bepalen het karakter van elke obligatie. De hoofdsom, ook wel de nominale waarde genoemd, is het bedrag dat aan het einde van de looptijd wordt terugbetaald, doorgaans in coupures van €1.000 of €100.000. De couponrente is het percentage dat de uitgever over die hoofdsom uitkeert, in de meeste gevallen jaarlijks of halfjaarlijks. Sommige obligaties keren geen coupon uit: bij zero-couponobligaties en kortlopend schatkistpapier (DTC's) wordt het rendement gerealiseerd doordat u onder de nominale waarde inkoopt en op de einddatum 100% ontvangt. De looptijd loopt van enkele maanden bij schatkistpapier tot dertig jaar of langer bij sommige staatsobligaties; perpetuele obligaties hebben helemaal geen einddatum.

Verschil met een aandeel

Een aandeel maakt u mede-eigenaar van een onderneming met een potentieel onbeperkt opwaarts rendement maar zonder garantie op enige uitkering. Een obligatie maakt u juist schuldeiser: u heeft recht op uw rente en uw hoofdsom, ongeacht of het bedrijf veel of weinig winst maakt. Bij een faillissement is uw positie als obligatiehouder in beginsel sterker dan die van een aandeelhouder, al hangt de exacte volgorde af van het senioriteitsniveau van de obligatie en eventuele zekerheden. Daar staat tegenover dat het opwaartse potentieel beperkt is: uw maximale opbrengst is doorgaans bekend bij aankoop.

Hoe werkt een obligatie in de praktijk

Nominale waarde, koers en opgelopen rente

Een obligatie wordt op de beurs niet in euro's genoteerd maar in een percentage van de nominale waarde. Een koers van 98,50 betekent dat u €98.500 betaalt voor een obligatie met een nominale waarde van €100.000. Bij aflossing op de einddatum ontvangt u altijd 100% terug, ongeacht voor welke koers u oorspronkelijk heeft gekocht.

Bij aankoop tussen twee couponuitkeringen betaalt u bovendien de opgelopen couponrente aan de verkoper. Stel dat een obligatie een coupon van 4% heeft die jaarlijks op 1 januari wordt uitgekeerd, en u koopt op 1 juli, dan betaalt u zes maanden aan rente (€2.000 op een nominale waarde van €100.000) bovenop de beurskoers. Op 1 januari ontvangt u vervolgens de volledige jaarcoupon. Per saldo betaalt u dus precies voor het deel van het jaar dat u de obligatie in bezit heeft.

Direct rendement (coupon) versus indirect rendement (koers)

Uw totaalrendement op een obligatie bestaat uit twee componenten. Het directe rendement is de couponrente die u periodiek ontvangt. Het indirecte rendement is het koersresultaat: het verschil tussen uw aankoopkoers en de verkoop- of aflossingskoers. Houdt u een obligatie tot het einde van de looptijd vast, dan ligt het indirecte rendement vast op het moment van aankoop. Verkoopt u tussentijds, dan is het afhankelijk van de marktrente op dat moment.

Dit onderscheid is fiscaal van wezenlijk belang. Voor de tegenbewijsregeling in box 3 telt zowel het directe als het indirecte rendement mee, inclusief ongerealiseerde waardestijgingen en -dalingen.

Het verband tussen marktrente en obligatiekoers

Obligatiekoersen bewegen tegengesteld aan de marktrente. Wanneer de marktrente stijgt, dalen bestaande obligaties in waarde omdat nieuwe uitgiftes een hogere coupon bieden. Omgekeerd worden bestaande obligaties met een vaste hoge coupon meer waard wanneer de marktrente daalt. Hoe langer de resterende looptijd, hoe gevoeliger de koers is voor renteveranderingen.

Een vuistregel: een obligatie met een duration van 7 jaar verliest ongeveer 7% van zijn waarde bij een rentestijging van 1 procentpunt, en wint ongeveer 7% bij een rentedaling van 1 procentpunt. Voor langlopende staatsobligaties kan duration oplopen tot 15 jaar of meer, met overeenkomstige koersbewegingen.

Yield to maturity en effectief rendement

De couponrente alleen zegt weinig over het werkelijke rendement van een obligatie. Wat telt is de yield to maturity, ook wel effectief rendement genoemd: het samengestelde rendement dat u behaalt als u de obligatie tot het einde van de looptijd vasthoudt en alle coupons herbelegt tegen die yield. Een obligatie met een coupon van 2% maar gekocht onder pari op bijvoorbeeld 92% kan een yield to maturity hebben van 3,2%; een hoge coupon gekocht ruim boven pari kan juist een lager effectief rendement geven dan de coupon doet vermoeden.

Bij elke aankoopbeslissing kijkt een professionele belegger naar de yield, niet naar de coupon.

Met het SelectieRapport vergelijkt u gratis meerdere vermogensbeheerders.

Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?

Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?

Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.

Soorten obligaties

Staatsobligaties (DSL's en DTC's)

Staatsobligaties worden uitgegeven door overheden en gelden binnen de eurozone als de meest veilige beleggingscategorie. Nederlandse staatsobligaties heten formeel Dutch State Loans (DSL's). Ze hebben looptijden van 3 tot 30 jaar en worden uitgegeven door het Agentschap van de Generale Thesaurie (DSTA), het Nederlandse Treasury-bureau. Voor 2026 verwacht het Agentschap een uitgiftevolume van €50 miljard op de kapitaalmarkt, ingevuld met onder meer een nieuwe 10-jaars benchmarkobligatie (DSL 15 juli 2036) en een nieuwe 5-jaars DSL (15 januari 2031).

Naast de lange DSL's geeft het Agentschap Dutch Treasury Certificates (DTC's) uit, schatkistpapier met een looptijd van maximaal één jaar. DTC's keren geen coupon uit; ze worden onder pari uitgegeven en op de einddatum tegen 100% afgelost. Het verschil is uw rendement.

Bedrijfsobligaties

Bedrijfsobligaties worden uitgegeven door ondernemingen, van AAA-gecertificeerde multinationals tot speculatievere groeibedrijven. Het couponrendement ligt structureel hoger dan dat van staatsobligaties als compensatie voor het hogere kredietrisico. Het verschil tussen beide rendementen heet de kredietspread en geeft aan hoeveel extra rente de markt verlangt voor het bedrijfsrisico.

In Nederland geven onder meer KPN, Ahold Delhaize, NN Group, ING en Shell regelmatig obligaties uit. Veel zijn genoteerd op Euronext Amsterdam of Frankfurt en verhandelbaar via reguliere brokers.

Investment grade versus high yield

De belangrijkste tweedeling binnen bedrijfsobligaties loopt langs de kredietrating. Investment grade omvat alle obligaties met een rating van BBB- of hoger bij S&P en Fitch, of Baa3 of hoger bij Moody's. High yield, ook wel speculative grade of junk bonds genoemd, omvat alles daaronder.

Het verschil in wanbetalingsrisico is materieel: investment-grade obligaties kennen historisch zeer lage default-percentages, terwijl high-yield obligaties significant hogere wanbetalingsfrequenties laten zien, zo blijkt uit de jaarlijkse default studies van S&P Global en Moody's. Veel institutionele beleggers, waaronder pensioenfondsen en verzekeraars, mogen vanwege hun mandaat uitsluitend in investment grade beleggen. Voor particuliere vermogens is high yield een aparte assetcategorie met eigen risico-rendementskenmerken, doorgaans aanbevolen via een gespreid fonds in plaats van losse posities.

Inflation-linked obligaties

Bij inflation-linked bonds, in Europa vaak aangeduid als linkers, wordt de hoofdsom periodiek aangepast aan de ontwikkeling van een prijsindex (in de eurozone meestal de HICP, exclusief tabak). Daarmee bieden ze een directe bescherming tegen inflatie, iets wat reguliere nominale obligaties niet doen. Frankrijk en Duitsland zijn de grootste eurozone-uitgevers van linkers; Nederland geeft ze niet uit. Inflation-linked obligaties zijn voor vermogende beleggers vooral interessant in periodes waarin de inflatieverwachting hoger ligt dan de markt inprijst.

Floating rate notes

Bij floating rate notes (FRN's) staat de couponrente niet vast maar beweegt deze mee met een referentierente, doorgaans 3-maands Euribor plus een vaste spread. De koers van FRN's is daardoor veel minder gevoelig voor renteveranderingen dan die van vastrentende obligaties. FRN's zijn een interessante optie wanneer u verwacht dat de korte rente zal stijgen of langere tijd hoog blijft.

Obligaties kopen

Achtergestelde en hybride obligaties (AT1, perpetuals, convertibles)

Hybride instrumenten combineren kenmerken van vreemd en eigen vermogen. Perpetuele obligaties hebben geen einddatum en betalen in theorie eeuwig coupon uit; in de praktijk hebben uitgevers vaak het recht om na een bepaalde periode af te lossen. Converteerbare obligaties kunnen onder bepaalde voorwaarden worden omgewisseld in aandelen van dezelfde uitgever. AT1-obligaties (Additional Tier 1), uitgegeven door banken, zijn diep achtergesteld en kunnen door de uitgever of de toezichthouder worden afgeschreven of omgezet in aandelen wanneer de kapitaalpositie onder bepaalde drempels zakt.

Deze categorieën bieden hogere couponrentes maar dragen substantieel meer risico. Bij de redding van Credit Suisse in maart 2023 werd circa CHF 16 miljard aan AT1-instrumenten volledig afgeschreven, een illustratie van het loss-absorption mechanisme. Voor de meeste particuliere portefeuilles horen hybriden in beperkte mate thuis, en bij voorkeur via een gespreid fonds.

Groene en sociale obligaties

Groene en sociale obligaties zijn reguliere obligaties waarvan de opbrengst geoormerkt is voor specifieke duurzame of maatschappelijke projecten. De rapportageverplichtingen liggen vast in de Green Bond Principles en de Social Bond Principles van ICMA. De Nederlandse staat heeft sinds 2019 meerdere groene DSL's uitgegeven, onder andere voor het Deltafonds. De yield op groene obligaties ligt doorgaans dicht bij die van vergelijkbare conventionele obligaties, met soms een kleine "greenium" (een iets lager rendement door extra vraag).

Obligaties uit opkomende markten

Obligaties van opkomende landen of bedrijven uit opkomende markten worden uitgegeven in lokale valuta of in harde valuta (vooral USD en EUR). Lokale-valuta-obligaties dragen valutarisico tegen de lokale munt. Harde-valuta-obligaties in USD of EUR vermijden dat lokale valutarisico, maar voor een Nederlandse belegger blijft bij USD-obligaties nog steeds het dollar-eurorisico bestaan. Het rendement op deze categorie ligt structureel hoger dan dat van ontwikkelde markten, maar zo ook het politieke en macro-economische risico. Voor particuliere beleggers is dit segment vrijwel uitsluitend toegankelijk via gespecialiseerde fondsen.

Kredietratings: hoe beoordeelt u de veiligheid van een obligatie

Een kredietrating is het oordeel van een onafhankelijk ratingbureau over de kans dat de uitgever zijn verplichtingen kan nakomen. Drie bureaus domineren de markt: S&P Global, Moody's en Fitch. Samen beoordelen zij circa 95% van alle wereldwijd uitgegeven obligaties.

De ratingschalen van S&P, Moody's en Fitch

De drie bureaus gebruiken sterk vergelijkbare schalen met kleine notatieverschillen. Onderstaande tabel toont de equivalente categorieën.

Categorie

S&P / Fitch

Moody's

Risicoprofiel

Hoogste kwaliteit

AAA

Aaa

Extreem laag wanbetalingsrisico

Zeer hoog

AA+ / AA / AA-

Aa1 / Aa2 / Aa3

Zeer laag wanbetalingsrisico

Hoog

A+ / A / A-

A1 / A2 / A3

Laag wanbetalingsrisico

Voldoende (laagste investment grade)

BBB+ / BBB / BBB-

Baa1 / Baa2 / Baa3

Acceptabel, gevoelig voor economische tegenwind

Speculatief (hoogste high yield)

BB+ / BB / BB-

Ba1 / Ba2 / Ba3

Verhoogd wanbetalingsrisico

Zeer speculatief

B+ / B / B-

B1 / B2 / B3

Hoog wanbetalingsrisico

Zeer hoog risico

CCC / CC / C

Caa / Ca / C

Default zeer waarschijnlijk

In gebreke

D

-

Wanbetaling vastgesteld

Nederland heeft als een van de weinige landen ter wereld een AAA-rating bij alle drie de grote bureaus, evenals Duitsland, Zwitserland, Denemarken en een handvol andere.

De grens tussen investment grade en high yield

De scheidslijn tussen BBB- en BB+ (respectievelijk Baa3 en Ba1) is de belangrijkste in het hele rating-universum. Onder deze grens verliest een uitgever automatisch toegang tot een groot deel van het institutionele kapitaal en stijgt de financieringskost direct. Voor beleggers betekent een downgrade onder deze grens vrijwel altijd een onmiddellijke koersdaling, doordat institutionele houders moeten verkopen.

Wat betekent een rating-downgrade voor de koers

Een downgrade van bijvoorbeeld A naar BBB+ betekent niet dat de obligatie plotseling onveilig is, maar wel dat de markt een hoger rendement zal eisen. De koers daalt totdat het effectief rendement aansluit op het nieuwe risicoprofiel. Bij een downgrade van investment grade naar high yield (een "fallen angel") kan de koersreactie aanzienlijk zijn, soms 5 tot 15 procentpunt afhankelijk van de looptijd. Voor een actief beheerd obligatieportefeuille zijn ratingbewegingen daarom continu monitorpunten.

Met het SelectieRapport vergelijkt u gratis meerdere vermogensbeheerders.

Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?

Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?

Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.

Rendement op obligaties in 2026

Actuele renteniveaus: Nederlandse 10-jaars staatsobligatie

In mei 2026 noteert de 10-jaars Nederlandse staatsrente rond de 3,1%. Dat is een fundamenteel ander niveau dan tijdens de jaren 2015 tot 2022, toen het rendement langere periodes negatief was. Voor het eerst in ruim een decennium leveren staatsobligaties weer een positief reëel rendement op, hoewel de inflatie tijdelijk boven de ECB-doelstelling ligt.

Spreads: het renteverschil tussen staat en bedrijf

Bovenop de risicovrije staatsrente komt voor bedrijfsobligaties de kredietspread. Brede euro investment-grade bedrijfsobligaties bieden in het voorjaar van 2026 ongeveer 3,5% tot 4% effectief rendement, gemeten via grote ETF's zoals de iShares Core € Corp Bond UCITS. Individuele BBB-obligaties met langere looptijden kunnen daarboven uitkomen. Voor euro high yield noteert de ICE BofA Euro High Yield Index begin mei 2026 op 5,43%, met aanzienlijke spreiding rond dat gemiddelde.

De yield curve en wat die u vertelt

De yield curve is de grafische weergave van rendementen op obligaties van dezelfde uitgever bij oplopende looptijden. Normaliter is de curve oplopend: hoe langer u uw geld vastzet, hoe meer rente u eist. In de afgelopen jaren is de eurocurve tijdelijk omgekeerd geweest (inverted), met hogere korte dan lange rentes; in 2026 is de curve weer overwegend oplopend, een teken dat de markt verwacht dat de korte rente verder zal dalen.

De vorm van de curve helpt u bij uw looptijdkeuze. Bij een steile curve wordt u beloond voor het accepteren van duration; bij een vlakke curve niet.

Verwachte ontwikkeling rentebeleid ECB

De Europese Centrale Bank heeft de depositorente in 2024 en 2025 stapsgewijs verlaagd van het piekniveau van 4%. Op 30 april 2026 hield de ECB de depositorente op 2,00%, met de basisherfinancieringsrente op 2,15% en de marginale beleningsfaciliteit op 2,40%. De inflatie ligt tijdelijk boven de doelstelling: Eurostat schatte de eurozone-inflatie in april 2026 op 3,0%, terwijl de ECB voor 2026 gemiddeld 2,6% HICP-inflatie voorziet.

Voor de obligatiebelegger heeft dit twee implicaties: de herbeleggingsrente van afgeloste obligaties wordt mede bepaald door het verdere rentepad van de ECB, en bestaande langlopende obligaties profiteren in waarde wanneer de rente verder zakt.

Risico's van beleggen in obligaties

Renterisico en duration

Renterisico is het risico dat uw obligatiekoersen dalen door een stijgende marktrente. De gevoeligheid wordt uitgedrukt in duration, een maatstaf in jaren. Een obligatie met duration 5 verliest circa 5% bij een rentestijging van 1 procentpunt. Voor langlopende staats- en kwaliteitsobligaties is duration vaak de grootste risicofactor, niet kredietrisico.

Kredietrisico en debiteurenrisico

Kredietrisico is het risico dat de uitgever zijn rente of hoofdsom niet kan terugbetalen. Bij staatsobligaties van AAA-landen is dit risico verwaarloosbaar; bij high yield-obligaties materieel. Naast volledige wanbetaling kunt u ook last hebben van een ratingdowngrade, wat de koers drukt.

Inflatierisico

Inflatierisico is het risico dat de reële koopkracht van uw rente en hoofdsom uitholt. Een obligatie met 3% nominale coupon bij 4% inflatie levert reëel verlies op. Bescherming biedt onder meer een korte looptijd, floating rate notes of inflation-linked obligaties.

Liquiditeitsrisico

Liquiditeitsrisico is het risico dat u uw obligatie niet of slechts tegen een ongunstige prijs kunt verkopen voor de einddatum. Nederlandse staatsobligaties en grote benchmark-bedrijfsobligaties zijn doorgaans zeer liquide. Kleine bedrijfsuitgiftes, achtergesteld papier en opkomende-markten-obligaties kunnen veel beperktere liquiditeit hebben, met spreads tussen bied- en laatkoers van 1% of meer.

Valutarisico bij niet-eurobeleggingen

Een obligatie in vreemde valuta voegt een extra risicofactor toe: de wisselkoers. Een Amerikaanse obligatie met 5% coupon kan een negatief totaalrendement opleveren wanneer de dollar 10% in waarde daalt tegenover de euro. Voor de meeste particuliere beleggers in de eurozone is afdekking van valutarisico (currency hedging) verstandig, hetzij direct hetzij via een hedged share class van een fonds.

Herbeleggingsrisico

Herbeleggingsrisico is het risico dat afgeloste obligaties of ontvangen coupons alleen tegen een lagere rente kunnen worden herbelegd. Dit risico is materieel in een dalende renteomgeving en wordt vaak onderschat. Wie in 2024 een vijfjaarsobligatie op 4% kocht en in 2029 moet herbeleggen op 2%, ziet zijn rente-inkomen halveren. Laddering kan dit risico spreiden.

Hoe belegt u in obligaties

Direct via Euronext Amsterdam

Genoteerde Nederlandse staatsobligaties zijn direct verhandelbaar via Euronext Amsterdam. U heeft een effectenrekening nodig bij een Nederlandse bank of broker (ABN AMRO, ING, Rabobank, DEGIRO, Saxo, Mexem, Interactive Brokers) en u plaatst een order op basis van de ISIN-code (een unieke 12-cijferige identificatie). U geeft de nominale waarde op die u wilt kopen, bijvoorbeeld € 10.000, en betaalt de op dat moment geldende koers plus opgelopen rente. De feitelijke afwikkeling verloopt via Euroclear.

Via een obligatiefonds of ETF

Voor de meeste particuliere beleggers is een gespreide aanpak via een fonds of ETF efficiënter dan losse obligaties. Een obligatie-ETF bevat doorgaans honderden tot duizenden onderliggende posities, met dagelijkse verhandelbaarheid en lopende kosten van 0,07% tot 0,40%. Bekende ETF's voor Europese staatsobligaties zijn de iShares Core € Govt Bond UCITS ETF en de Xtrackers II Eurozone Government Bond UCITS ETF; voor euro-investment-grade bedrijfsobligaties de iShares Core € Corp Bond UCITS ETF.

Via een vermogensbeheerder of private bank

Bij een vermogensbeheerder of private bank wordt de obligatiecomponent van uw portefeuille actief beheerd. De beheerder selecteert individuele obligaties of fondsen passend bij uw risicoprofiel en herijkt de looptijdstructuur. Voor portefeuilles vanaf € 500.000 wordt vaak gewerkt met een mix van directe staatsobligaties (voor het defensieve fundament) en bedrijfsobligatiefondsen of high-yield-fondsen (voor het rendementverhogende deel).

Minimuminleg en wholesale-tranches

Veel institutionele obligatie-uitgiftes hebben een minimumcoupures van € 100.000. Dit zijn de zogenaamde wholesale tranches: bedoeld voor professionele beleggers en daarmee buiten het bereik van prospectus-plicht voor particulieren. Hieronder vallen veel achtergestelde bankobligaties en hybride uitgiftes. Wie individueel in deze segmenten wil beleggen, heeft doorgaans alleen toegang via een vermogensbeheerder met een professionele classificatie.

Kosten: spread, transactiekosten en doorlopende fondskosten

De totale kosten van obligatiebeleggen bestaan uit drie componenten. De bied-laat-spread is het verschil tussen aan- en verkoopkoers en bedraagt voor liquide staatsobligaties 0,05% tot 0,15%, voor minder liquide papier 0,50% tot 2%. De transactiekosten bij uw broker liggen tussen € 10 en € 30 per order bij grootbanken, en € 2 tot € 10 bij discount-brokers. Voor obligatiefondsen en ETF's komen daar de lopende kosten (ongoing charges) bij, plus eventuele performance fees bij actieve fondsen.

Fiscale behandeling van obligaties in 2026

Voor particuliere beleggers vallen obligaties in box 3. Dit is een van de meest dynamische fiscale dossiers van het moment, met materiële wijzigingen tussen 2025, 2026 en de voorgenomen invoering van een nieuw stelsel in 2028.

Obligaties in box 3: forfait 6,00% en heffingsvrij vermogen € 59.357

Obligaties vallen onder de categorie overige bezittingen in box 3. Voor 2026 geldt hierop een forfaitair rendement van 6,00% en een belastingtarief van 36%. Het heffingsvrij vermogen bedraagt € 59.357 per persoon en € 118.714 voor fiscaal partners.

Element box 3 (2026)

Waarde

Forfait spaargeld (voorlopig)

1,28%

Forfait overige bezittingen (waaronder obligaties)

6,00%

Forfait schulden (voorlopig)

2,70%

Belastingtarief box 3

36%

Heffingsvrij vermogen (alleenstaand)

€ 59.357

Heffingsvrij vermogen (fiscaal partners)

€ 118.714

De heffing wordt berekend op de grondslag sparen en beleggen, dat wil zeggen het vermogen boven het heffingsvrij vermogen. Het oorspronkelijke voorstel om het forfait op overige bezittingen voor 2026 te verhogen naar 7,78% is op verzoek van de Tweede Kamer eind november 2025 teruggedraaid.

De tegenbewijsregeling: belast worden op werkelijk rendement

Sinds de Hoge Raad-arresten van 6 juni 2024 kunt u kiezen om belast te worden op uw werkelijke rendement wanneer dat lager is dan het forfaitaire rendement. Deze tegenbewijsregeling is wettelijk verankerd en geldt met terugwerkende kracht tot 2017. Vanaf belastingjaar 2025 is de regeling geïntegreerd in de reguliere aangifte via Mijn Belastingdienst.

Let op: bij de tegenbewijsregeling wordt het werkelijk rendement berekend over uw totale box 3-vermogen zonder aftrek van het heffingsvrij vermogen. Dat is wezenlijk anders dan het forfaitaire stelsel, waar het heffingsvrij vermogen vooraf van de grondslag wordt afgetrokken. Onderstaand een rekenvoorbeeld voor een alleenstaande met € 500.000 obligaties die 3% direct rendement opleveren.

Rekenvoorbeeld € 500.000 obligaties, 3% werkelijk rendement

Forfaitair

Werkelijk rendement

Bruto vermogen

€ 500.000

€ 500.000

Heffingsvrij vermogen

€ 59.357

niet van toepassing

Rendementsgrondslag

€ 500.000

€ 500.000

Forfaitair rendement (6,00%)

€ 30.000

-

Werkelijk rendement (3%)

-

€ 15.000

Aandeel grondslag sparen en beleggen

88,13%

-

Belastbaar voordeel

circa € 26.439

€ 15.000

Box 3-heffing (36%)

circa € 9.518

€ 5.400

Het voordeel van tegenbewijs in dit voorbeeld bedraagt circa € 4.118 op jaarbasis. Het werkelijke voordeel hangt af van rendement, vermogensomvang, fiscale partner-positie en eventuele schulden in box 3.

Wat telt als werkelijk rendement bij obligaties

Werkelijk rendement bij obligaties bestaat uit het directe rendement (de couponrente) en het indirecte rendement (de koersontwikkeling, inclusief ongerealiseerde waardestijgingen en -dalingen). Beide componenten worden gemeten over het kalenderjaar tussen 1 januari en 31 december. Een obligatie die op 1 januari 98% waard was en op 31 december 99%, en die in dat jaar 3% coupon uitkeerde, heeft een werkelijk rendement van 4% (1% koersstijging plus 3% coupon).

Transactiekosten, bewaarloon en beheer- of brokerkosten zijn bij het opgeven van werkelijk rendement in beginsel niet aftrekbaar. De Belastingdienst kent slechts beperkte uitzonderingen voor specifieke kosten bij een tweede woning. Betaalde rente op box 3-schulden kan wel meetellen.

Peildatumarbitrage rond 1 januari en de anti-arbitragebepalingen

Omdat box 3 alleen op 1 januari naar uw vermogenssamenstelling kijkt, lijkt het verleidelijk om overige bezittingen vlak voor de peildatum te verkopen en daarna direct terug te kopen. Het verschil tussen het forfait op spaargeld (1,28%) en op obligaties (6%) zou anders een groot belastingvoordeel opleveren.

De wetgever heeft hier een anti-arbitragebepaling tegen ingericht. Verkoopt u overige bezittingen in de drie maanden vóór 1 januari en koopt u na 1 januari weer box 3-bezittingen terug, terwijl tussen verkoop en aankoop niet meer dan drie maanden zit, dan kan de Belastingdienst de verschuiving voor box 3-doeleinden negeren. Dit gebeurt tenzij u kunt aantonen dat de transactie zakelijke, niet-fiscale gronden had.

Reparatie van de "obligatietruc" (terugwerkend tot 25 augustus 2025)

Een specifieke fiscale constructie, in 2025 bekend geworden als de obligatietruc, maakte gebruik van het feit dat obligaties met aangegroeide rente bij aankoop een negatief werkelijk rendement laten zien in het aankoopjaar. Door eind december obligaties met veel opgebouwde couponrente te kopen en begin januari weer te verkopen, kon een aftrekpost worden gecreëerd via de tegenbewijsregeling.

De wetgever heeft dit lek gerepareerd voor obligaties aangekocht na 25 augustus 2025, 16:00 uur. De waardering aan begin en einde van het jaar gebeurt sindsdien inclusief de aangegroeide rente, waardoor de constructie geen voordeel meer oplevert. Voor vermogensbestanddelen die vóór 25 augustus 2025, 16:00 uur al tot het box 3-vermogen behoorden, geldt overgangsrecht tot vervreemding of tot invoering van het nieuwe box 3-stelsel.

Vooruitblik: het nieuwe box 3-stelsel per 2028

Het kabinet wil het forfaitaire stelsel per 1 januari 2028 vervangen door een heffing op werkelijk rendement. De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 op 12 februari 2026 aangenomen; het ligt nu bij de Eerste Kamer. Als ook de Eerste Kamer instemt, gaat het nieuwe stelsel per 1 januari 2028 in.

Beleggers worden dan jaarlijks belast op het werkelijk behaalde directe en indirecte rendement, inclusief ongerealiseerde waardestijgingen. Voor obligatiehouders betekent dit dat zowel ontvangen coupons als jaar-op-jaar koerswijzigingen direct belastbaar worden.

Obligaties voor de DGA: privé of in de BV

Voor directeur-grootaandeelhouders is de vraag waar obligaties worden aangehouden, privé of in de BV, fiscaal niet eenduidig en hangt af van rendement, looptijd en de overige fiscale positie.

Obligaties in privévermogen (box 3)

In privé vallen obligaties onder de eerder behandelde box 3-systematiek. Bij forfaitaire heffing geldt 6,00% × 36% = 2,16% op de grondslag boven het heffingsvrij vermogen; bij toepassing van de tegenbewijsregeling wordt u belast op het werkelijke rendement zonder heffingsvrij vermogen. Het voordeel van de privé-route: helderheid, eenvoudige verhandelbaarheid, geen administratieve last in de BV.

Obligaties in de holding of beleggings-BV (VPB)

In de BV vallen obligatie-inkomsten onder de vennootschapsbelasting. Voor 2026 geldt 19% tot € 200.000 belastbare winst en 25,8% daarboven. Op het moment dat u de winst uit de BV haalt via dividend, komt daar box 2-heffing bij van 24,5% tot € 68.843 en 31% daarboven.

Element BV-route (2026)

Waarde

VPB-tarief eerste schijf (tot € 200.000 winst)

19%

VPB-tarief tweede schijf (boven € 200.000 winst)

25,8%

Box 2-tarief eerste schijf (tot € 68.843)

24,5%

Box 2-tarief tweede schijf (boven € 68.843)

31%

Gecombineerde druk lage schijf (VPB + box 2)

circa 38,8%

Gecombineerde druk hoge schijf (VPB + box 2)

circa 48,8%

Wanneer is welke route fiscaal aantrekkelijker

Bij obligaties met een direct rendement onder de 6% (en daarmee onder het box 3-forfait) is privé in combinatie met de tegenbewijsregeling vaak voordeliger, zolang het werkelijke rendement laag blijft. De effectieve box 3-heffing op werkelijk rendement bedraagt 36% over het werkelijke rendement; de gecombineerde BV-druk ligt op 38,8% tot 48,8%, waarbij het rendement bovendien pas privé beschikbaar komt na box 2-heffing.

De BV-route wordt aantrekkelijker wanneer (1) u toch al BV-vermogen heeft dat niet of langzaam wordt uitgekeerd, (2) u het rendement langjarig oprent zonder dividenduitkering, of (3) de BV verliezen of compensabele posten heeft die het rendement absorberen.

Voor elke individuele situatie is een berekening op maat noodzakelijk, niet in de laatste plaats vanwege de Wet excessief lenen die sinds 2023 leningen boven € 500.000 van de BV aan de DGA fiscaal belast in box 2.

Aandachtspunten bij doorstortingen en dividendbeleid

Wie obligaties in de BV aanhoudt en het rendement uiteindelijk privé wil benutten, ontkomt niet aan box 2-heffing bij dividenduitkering. Plannen rond uitkeringsmoment, het inzetten van schenkingen aan kinderen en de mogelijke structuur via een fonds voor gemene rekening zijn onderwerpen waarover een fiscaal adviseur of vermogensbeheerder met DGA-expertise dient mee te denken.

Aandelen versus obligaties

Verschillen in rendement, risico en volatiliteit

Aandelen en obligaties verschillen fundamenteel. Een aandeel maakt u mede-eigenaar met onbeperkt opwaarts potentieel en onbeperkt neerwaarts risico (tot 100% verlies). Een obligatie maakt u schuldeiser met een vooraf bekend opwaarts plafond (yield to maturity) en een wanbetalingsrisico dat doorgaans veel lager is dan het volledige aandelenverlies. Op de zeer lange termijn (1900-2024) hebben aandelen historisch circa 5% reëel rendement per jaar opgeleverd tegen 1,5% tot 2% voor obligaties, volgens onderzoek van Dimson, Marsh en Staunton.

Hoe ze elkaar aanvullen in een portefeuille

Aandelen en obligaties zijn historisch laag tot negatief gecorreleerd, vooral tijdens recessies. In een aandelen-crash zoekt kapitaal vaak toevlucht in staatsobligaties (de "flight to quality"), waardoor de obligatiekoersen stijgen op het moment dat aandelen dalen. Deze diversificatie is de fundamentele reden waarom een 60/40-portefeuille (60% aandelen, 40% obligaties) decennialang de standaard was voor gebalanceerde mandaten. In 2022 trad er een uitzonderlijke periode op waarin beide assetcategorieën tegelijk daalden, maar 2023-2025 hebben de structurele negatieve correlatie grotendeels hersteld.

Vergelijkingstabel aandelen, obligaties, spaargeld en vastgoed

Kenmerk

Aandelen

Obligaties

Spaargeld

Vastgoed (verhuur)

Verwacht jaarrendement

5 tot 8%

3 tot 5%

1,5 tot 2,5%

4 tot 7%

Volatiliteit

Hoog

Laag tot middelmatig

Zeer laag

Middelmatig

Liquiditeit

Hoog

Hoog tot middelmatig

Zeer hoog

Laag

Box 3-categorie

Overige bezittingen

Overige bezittingen

Spaargeld

Overige bezittingen

Forfait 2026

6,00%

6,00%

1,28% (voorlopig)

6,00%

Bescherming bij faillissement

Geen

Voorrang op aandeelhouders, afhankelijk van senioriteit

Garantie tot € 100.000

Eigendomsrecht

Tijdsbeslag voor de belegger

Beperkt

Beperkt

Geen

Substantieel

De rol van obligaties in een vermogende portefeuille

Allocatie naar risicoprofiel

De allocatie naar obligaties hangt direct samen met uw risicoprofiel en beleggingshorizon. Onderstaande verdelingen zijn richtinggevend voor een gemiddelde portefeuille zonder specifieke fiscale of liquiditeitswensen.

Risicoprofiel

Aandelen

Obligaties

Liquiditeit en alternatieven

Zeer defensief

0 tot 20%

70 tot 90%

5 tot 15%

Defensief

20 tot 40%

50 tot 70%

5 tot 15%

Neutraal

40 tot 60%

30 tot 50%

5 tot 15%

Offensief

60 tot 80%

15 tot 30%

5 tot 15%

Zeer offensief

80 tot 100%

0 tot 15%

0 tot 10%

Voorbeeldverdelingen bij € 250k, € 1 miljoen en € 5 miljoen vermogen

Bij € 250.000 vrij belegbaar vermogen en een neutraal profiel ligt een obligatiecomponent van € 100.000 tot € 125.000 voor de hand, doorgaans ingevuld via twee tot vier ETF's of fondsen die staats- en bedrijfsobligaties combineren. Directe obligatieaankoop is voor deze omvang nog geen efficiënte route vanwege de spreidingsbeperking.

Bij € 1 miljoen vermogen en hetzelfde profiel wordt de obligatiecomponent € 300.000 tot € 500.000. Op dit niveau wordt het zinvol om een deel direct in Nederlandse en Duitse staatsobligaties aan te houden (voor het defensieve fundament en de fiscale optimalisatie via de tegenbewijsregeling) en het overige via fondsen voor specifieke segmenten.

Bij € 5 miljoen vermogen en hetzelfde profiel groeit de obligatiecomponent naar € 1,5 tot € 2,5 miljoen. Hier wordt vrijwel altijd gewerkt met discretionair vermogensbeheer, waarbij de beheerder een laddered obligatieportefeuille opbouwt met directe posities in vijftien tot dertig namen, aangevuld met fondsen voor high yield, emerging markets en specifieke spreiding.

Obligaties als alternatief voor spaargeld boven het garantieplafond

Het Nederlandse depositogarantiestelsel dekt spaargeld tot € 100.000 per bank per persoon. Wie € 500.000 op één spaarrekening heeft staan, draagt boven het garantiebedrag het volledige tegenpartij-risico van de bank. Voor dit deel van het vermogen vormen Nederlandse en Duitse staatsobligaties (AAA-rating) een veiliger alternatief, mits u accepteert dat de koers tussentijds kan fluctueren. Vasthouden tot einddatum levert een vooraf bekend rendement op zonder concentratierisico op één bankbalans.

Hoe vermogensbeheerders obligaties inzetten

Zelfstandige vermogensbeheerders en private banks verschillen aanzienlijk in hun obligatieaanpak. Sommige werken met directe individuele obligatieselectie en bouwen een ladder op met heldere kasstromen; andere werken voornamelijk via gespecialiseerde obligatiefondsen om kosten- en spreidingsvoordelen te benutten. De keuze beïnvloedt direct uw kostenstructuur, het maatwerk in de portefeuille en de mate waarin de tegenbewijsregeling efficiënt kan worden toegepast

Met het SelectieRapport vergelijkt u gratis meerdere vermogensbeheerders.

Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?

Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?

Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.

Wanneer is het verstandig om obligaties te kopen

De renteomgeving in 2026

Met een tienjaarsrente rond 3,1% en een ECB-depositorente op 2,00% biedt 2026 een gunstig instapmoment voor obligaties. U sluit voor langere tijd een acceptabele yield in, met aanvullend de mogelijkheid van koerswinst wanneer de rente verder daalt. Dit is een wezenlijk ander beeld dan de periode 2015-2022, toen reële rendementen langere tijd negatief waren.

Korte versus lange duration in de huidige cyclus

Bij een verwachte verdere rentedaling bouwt een belegger normaliter duration op, omdat lange obligaties dan het meest profiteren. Bij stabiele of stijgende rentes is een kortere duration verstandiger. In 2026 zien veel obligatiebeheerders een barbell-strategie als aantrekkelijk: korte looptijden (1 tot 3 jaar) voor flexibiliteit en herbeleggingsmogelijkheden, gecombineerd met lange looptijden (10 jaar en langer) voor de huidige aantrekkelijke yields en mogelijk koerswinst bij rentedaling.

Laddering: spreiding over meerdere looptijden

Bij laddering verdeelt u uw obligatieportefeuille over meerdere looptijden, bijvoorbeeld 1, 3, 5, 7 en 10 jaar. Elk jaar lost een tranche af en wordt het bedrag herbelegd in een nieuwe lange looptijd. Dit vlakt herbeleggingsrisico af, vangt renteveranderingen gespreid op en geeft een stabiel cashflowprofiel. Laddering werkt het beste met directe individuele obligaties en bij portefeuilles vanaf € 500.000.

Wanneer obligaties juist minder aantrekkelijk zijn

Obligaties zijn minder aantrekkelijk in drie scenario's: bij een verwachte sterke rentestijging (koersrisico), bij hoge persistente inflatie zonder inflatiebescherming (reëel verlies), en bij een zeer lange beleggingshorizon van twintig jaar of meer waarbij de hogere historische rendementen van aandelen het defensieve karakter overbodig maken. Ook bij een fiscale positie waarin het werkelijke obligatierendement bijna gelijk is aan het forfait, verdwijnt het netto-voordeel ten opzichte van een spaarrekening of breedgespreide aandelenpositie.

Veelgestelde vragen

Wat zijn obligaties in begrijpelijke taal?

Een obligatie is een verhandelbare lening. U leent uw geld uit aan een overheid of bedrijf en ontvangt daarover periodiek rente (de coupon). Aan het einde van de looptijd krijgt u de nominale waarde terug, mits de uitgever aan zijn verplichtingen voldoet. Tussentijds kunt u de obligatie verkopen op de beurs.

Wat is een veilige obligatie met een hoog rendement?

Veiligheid en rendement zijn omgekeerd evenredig. Brede euro investment-grade bedrijfsobligaties (rating BBB- of hoger) bieden in 2026 ongeveer 3,5% tot 4% effectief rendement bij een laag wanbetalingsrisico. Nederlandse staatsobligaties zijn de veiligste optie maar leveren circa 3,1%. Wie hoger rendement zoekt, komt automatisch in de high yield-categorie met materieel hoger risico; een breed gespreid high yield-fonds is hier de verstandigste route.

Hoe koop ik Nederlandse staatsobligaties?

U koopt Nederlandse staatsobligaties via uw broker of bank op Euronext Amsterdam, op basis van de ISIN-code. Er is geen retailprogramma; particulieren kopen via dezelfde route als professionele beleggers. Alternatief is een ETF die uitsluitend in Nederlandse of euro-staatsobligaties belegt.

Wat gebeurt er met mijn obligatie als de uitgever failliet gaat?

Bij een faillissement is uw positie als obligatiehouder afhankelijk van de senioriteit van de obligatie en eventuele zekerheden. Senior gedekte obligatiehouders staan vooraan; achtergestelde obligatiehouders achterin. In alle gevallen gaan obligatiehouders voor aandeelhouders, maar achter bevoorrechte schuldeisers zoals de fiscus. U krijgt een deel van uw inleg terug afhankelijk van de liquidatiewaarde; de exacte recovery rate varieert sterk per situatie.

Hoeveel belasting betaal ik over obligaties in 2026?

In box 3 geldt voor 2026 een forfaitair rendement van 6,00% over uw obligatievermogen, belast tegen 36%. De heffing wordt berekend over de grondslag sparen en beleggen, dat wil zeggen het vermogen boven het heffingsvrij vermogen van € 59.357 (€ 118.714 met fiscaal partner). Bij toepassing van de tegenbewijsregeling kunt u in plaats daarvan belast worden op uw werkelijke rendement, waarbij geen heffingsvrij vermogen wordt afgetrokken.

Wat is het verschil tussen couponrente en effectief rendement?

De couponrente is het vaste percentage dat u over de nominale waarde ontvangt. Het effectief rendement (yield to maturity) is uw werkelijke jaarlijkse rendement bij vasthouden tot einddatum, inclusief het koersverschil tussen aankoopkoers en aflossing op 100%. Bij aankoop onder pari ligt het effectief rendement hoger dan de couponrente; bij aankoop boven pari lager.

Wat is een goede obligatie-allocatie bij een vermogen van € 500.000?

Bij een neutraal risicoprofiel ligt een obligatiecomponent van € 150.000 tot € 250.000 voor de hand, ingevuld via twee tot vier ETF's of fondsen die euro-staatsobligaties combineren met euro-bedrijfsobligaties. Direct individuele obligaties aanhouden wordt op dit niveau zinvol voor het defensieve deel. De exacte verdeling hangt af van uw beleggingshorizon, inkomen en fiscale situatie.

Kan ik obligaties tussentijds verkopen?

Beursgenoteerde obligaties zijn in principe verhandelbaar via uw broker, maar de feitelijke liquiditeit varieert sterk. Voor liquide staatsobligaties is de verkoop direct en tegen een nauwe spread. Voor minder liquide bedrijfsobligaties, achtergesteld papier en obligaties uit kleinere uitgiftes kan de spread oplopen tot 1% of meer en kan het enkele dagen duren voordat de transactie wordt uitgevoerd. De verkoopkoers fluctueert met de marktrente: bij gestegen rente noteert uw obligatie onder uw aankoopkoers.

Frits van Manen

door Frits van Manen

Frits is partner bij Vermogensbeheer.nl en heeft ervaring als beleggings- en vermogensadviseur bij een grote Nederlandse bank en fondshuis. Frits begeleidt vermogende particulieren, ondernemers, stichtingen en instellingen die op zoek zijn naar een goede en passende vermogensbeheerder.

Gerelateerd:

Met het SelectieRapport vergelijkt u gratis meerdere vermogensbeheerders.

Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?

Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?

Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.