Vermogensbeheer voor stichtingen en verenigingen: beleggen, beleggingsstatuut en risico
Een stichting of vereniging mag vrijwel altijd beleggen, zolang de statuten het toestaan en het bestuur kan onderbouwen waarom dat past bij het doel van de organisatie. Verstandig is het pas wanneer het vermogen een meerjarige bestemming heeft en niet binnen afzienbare tijd nodig is. De verantwoordelijkheid ligt bij het voltallige bestuur: de uitvoering kan worden uitbesteed aan een vermogensbeheerder, de verantwoordelijkheid zelf niet. Het beleggingsstatuut is daarbij het centrale document, omdat het bestuur daarin vastlegt waarom, waarin en binnen welke grenzen wordt belegd.

Mag een stichting of vereniging beleggen?
Ja. Er is geen wettelijk verbod op beleggen door een stichting of vereniging. Waar het om draait, is of het beleggen past binnen de statutaire doelstelling en of het bestuur die keuze kan verantwoorden. Voor een algemeen nut beogende instelling (ANBI) gelden aanvullende eisen aan de omvang van het vermogen dat mag worden aangehouden.
Wat de statuten en de wet toestaan
De statuten zijn het vertrekpunt. Zij bevatten zelden een expliciet beleggingsverbod, maar wel vaak een ruime formulering als "en alle andere wettige middelen die aan het doel bevorderlijk zijn". Dat biedt ruimte, geen vrijbrief: het bestuur moet kunnen uitleggen hoe beleggen bijdraagt aan het doel. Drie punten verdienen aandacht voordat een besluit valt:
Bevat de doelomschrijving een beperking die beleggen uitsluit of inperkt, bijvoorbeeld een instandhoudingsverplichting?
Wie is bevoegd het besluit te nemen? Bij een stichting is dat het bestuur. Bij een vereniging bepalen de statuten of de algemene ledenvergadering moet instemmen; ontbreekt die bepaling, dan is het verstandig het besluit alsnog aan de leden voor te leggen.
Is er een raad van toezicht of raad van commissarissen die goedkeuring moet verlenen?
Leg het besluit met de overwegingen schriftelijk vast in de notulen. Ontstaat er later discussie over de vraag of het bestuur zorgvuldig heeft gehandeld, dan is dat het eerste stuk waarnaar wordt gekeken.
Vereniging, stichting, ANBI of vermogensfonds: wat is het verschil?
De begrippen lopen in de praktijk door elkaar. Rechtsvorm en fiscale status staan los van elkaar: een stichting kan een ANBI zijn maar hoeft dat niet, en een vereniging kan het eveneens zijn.
Type | Wat het is | Gevolg voor het beleggingsvraagstuk |
Vereniging | Rechtspersoon met leden, die het bestuur benoemen en waaraan het bestuur verantwoording aflegt | Beleggen speelt meestal pas na een eenmalige gebeurtenis, zoals de verkoop van een pand; de ALV is vaak medebeslisser |
Stichting | Rechtspersoon zonder leden; benoeming en controle van het bestuur zijn geregeld in de statuten | Er is geen ledenvergadering die meebeslist, wat de noodzaak van interne controle groter maakt |
ANBI | Fiscale status voor instellingen die zich voor minimaal 90% op het algemeen nut richten | Het bestedingscriterium begrenst hoeveel vermogen mag worden aangehouden en dwingt tot besteding van rendement |
SBBI | Sociaal belang behartigende instelling, bijvoorbeeld een sportvereniging of muziekgezelschap | Geen bestedingscriterium; vermogensopbouw is toegestaan, maar minder fiscale faciliteiten |
Vermogensfonds | ANBI die uitkeert uit een bestaand vermogen en niet actief geld werft | Beleggingsrendement is de belangrijkste inkomstenbron; instandhouding en besteding moeten in balans zijn |
Fondsenwervende instelling | ANBI die haar middelen voornamelijk uit donaties, collectes en legaten haalt | Beleggen dient vooral de overbrugging tussen binnenkomst en besteding; horizon is korter |
Vereniging van eigenaren | Rechtspersoon met een wettelijk verplichte reservering voor onderhoud | Beleggen is zelden aan de orde; het geld heeft een concrete bestemming op korte termijn |
Dat onderscheid bepaalt vooral de beleggingshorizon. Een vermogensfonds met een eeuwigdurende doelstelling kan een horizon van vijftien jaar of meer hanteren. Een fondsenwervende instelling die haar middelen doorgaans kort na ontvangst weer uitgeeft, kan dat niet en houdt een groter deel liquide.
Welke regels gelden voor een ANBI?
Voor een ANBI geldt het bestedingscriterium, ook wel de anti-oppoteis genoemd: een ANBI mag niet meer vermogen aanhouden dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden ten behoeve van haar doelstelling. Die eis geldt sinds 1 januari 2008 en is vastgelegd in de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994.
Op 3 juli 2025 is een nieuw beleidsbesluit gepubliceerd, dat op 4 juli 2025 in werking trad. Het verduidelijkt het bestedingscriterium en scherpt het op onderdelen aan. Voor besturen die beleggen zijn drie punten relevant.
Ten eerste is de reserve voor voorziene werkzaamheden strenger begrensd. Zo'n reserve mag alleen worden gevormd als zij wordt onderbouwd met concrete projecten en bijbehorende bedragen. Een algemene reserve zonder nadere toelichting is in beginsel niet toegestaan. Als redelijk tijdsbestek voor de uitvoering geldt in beginsel twee jaar.
Ten tweede zijn de regels rond stamvermogen verduidelijkt. Stamvermogen is vermogen uit een schenking of nalatenschap waarvan de schenker of erflater uitdrukkelijk heeft bepaald dat het in stand moet blijven. Een bestuur kan vermogen niet zelf tot stamvermogen bestempelen; die bepaling moet blijken uit bijvoorbeeld een schenkingsakte of testament. Ontbreekt zo'n bepaling, dan valt het vermogen onder de gewone bestedingsplicht.
Ten derde, en dat raakt het beleggingsbeleid rechtstreeks: rendement op stamvermogen moet in beginsel worden besteed aan de doelstelling, na aftrek van onder meer beheerkosten, toegestane indexering en geoorloofde reservevorming. Het besluit rekent daarbij zowel gerealiseerd als ongerealiseerd rendement mee. Instandhouding van het stamvermogen betekent dus niet dat de opbrengst ervan mag blijven staan. Op ongerealiseerde waardestijging bestaat een uitzondering wanneer de instandhoudingsverplichting van de schenker of erflater juist ziet op het vermogensbestanddeel zelf, bijvoorbeeld een pand of een specifieke portefeuille. Een fonds mag een vast bestedingspercentage hanteren, mits dat is onderbouwd met een meerjarige rendementsprognose en jaarlijks wordt herijkt.
Voor de continuïteitsreserve hanteert het besluit als vuistregel anderhalf maal het gemiddelde kostenniveau van de eigen werkorganisatie over de voorgaande drie jaren. Een hoger bedrag mag, maar vraagt om onderbouwing.
Het besluit geeft het standpunt van de Belastingdienst weer en is geen wet. Toch is het van belang: een instelling die er niet aan voldoet, riskeert intrekking van de ANBI-status, met gevolgen voor de aftrekbaarheid van giften en voor de vrijstelling van schenk- en erfbelasting.
Wanneer is beleggen verstandig voor een stichting of vereniging?
Of het mag en of het verstandig is, zijn twee verschillende vragen. Beleggen is verstandig wanneer het vermogen een meerjarige bestemming heeft, het bestuur een daling tijdelijk kan opvangen zonder de doelstelling in gevaar te brengen, en de organisatie genoeg continuïteit heeft om het beleid over een reeks jaren vol te houden.
Bepaal eerst waarvoor het vermogen nodig is
Besturen kijken vaak eerst naar rendement en risicoprofielen, en pas daarna naar de vraag waarvoor het geld dient. Dat is precies omgekeerd. Deel het vermogen eerst op naar bestemming en termijn. Er zijn vier categorieën: middelen die binnen twaalf maanden nodig zijn voor lopende uitgaven en toegezegde bestedingen; middelen die vastliggen voor een concreet project met een bekende datum; middelen die als buffer dienen voor tegenvallers in de exploitatie; en middelen zonder bestemming op korte termijn, bedoeld om over langere tijd in stand te blijven of te groeien.
Alleen die laatste categorie is echt belegbaar. Bij ANBI's valt deze indeling grotendeels samen met wat het bestedingscriterium al vereist: de onderbouwing die de Belastingdienst wil zien, is dezelfde onderbouwing die het beleggingsbeleid nodig heeft.
Liquiditeitsbehoefte en beleggingshorizon
De horizon van een stichting volgt uit het onttrekkingsritme. Een instelling die jaarlijks een vast bedrag uitkeert, heeft feitelijk een reeks horizonnen naast elkaar: het geld voor volgend jaar heeft er een van twaalf maanden, het geld voor over tien jaar een van tien jaar. Daaruit volgt een praktische vuistregel: houd de bestedingen van de komende twee jaar buiten de portefeuille, zodat verkoop op een ongunstig moment nooit wordt afgedwongen.
Vermogen moet in elk geval beschikbaar blijven wanneer een subsidie of garantstelling op afroep kan worden opgeëist, wanneer de organisatie personeel in dienst heeft, of wanneer een project juridisch bindend is toegezegd maar nog niet is uitgevoerd. Hetzelfde geldt wanneer de statuten of een subsidieverstrekker een minimale liquiditeitspositie eisen, en bij een vereniging waarvan de contributie-inkomsten onzeker zijn.
Een horizon korter dan vijf jaar rechtvaardigt in de regel geen portefeuille met zakelijke waarden. Voor die termijn zijn spaarrekeningen en deposito's doorgaans passender; sparen levert tegenwoordig weer een reële vergoeding op, en dat hoort eerlijk in de afweging te worden meegenomen.
Stamvermogen, reserves en vrij besteedbaar vermogen
Onderstaande indeling vormt de brug tussen de fiscale eisen en het beleggingsbeleid. Elke categorie heeft een eigen horizon en daarmee een eigen passend risiconiveau.
Vermogensdeel | Wat het is | Beperking | Passende horizon |
Stamvermogen | Verkregen uit schenking of nalatenschap, met een instandhoudingsverplichting van de schenker of erflater | Mag niet worden aangetast; rendement moet wel worden besteed | Lang, vijftien jaar of meer |
Continuïteitsreserve | Buffer voor het voortbestaan van de eigen werkorganisatie | Vuistregel anderhalf maal het gemiddelde jaarlijkse kostenniveau over drie jaar | Kort; moet beschikbaar blijven |
Reserve voorziene werkzaamheden | Gereserveerd voor concrete projecten | Onderbouwing met projecten en bedragen; uitvoering in beginsel binnen twee jaar | Kort |
Bestemmingsfonds | Middelen met een door derden opgelegde bestemming | Bestemming bepaalt de besteding | Volgt de bestemming |
Vrij besteedbaar vermogen | Overig vermogen zonder bestemming | Moet binnen een redelijke termijn worden besteed | Kort tot middellang |
Algemene reserve zonder toelichting | Niet nader onderbouwd vermogen | In beginsel niet toegestaan bij een ANBI | Niet van toepassing |
Voor instellingen die vóór 1 januari 2008 bestonden en uitsluitend rendementen hebben besteed, geldt een overgangsregeling: afbouw van het vermogen wordt in beginsel niet geëist, met het eigen vermogen per 1 januari 2008 als uitgangspunt.
Wie is verantwoordelijk voor het vermogen?
Het bestuur. Niet de penningmeester alleen, niet de beleggingscommissie en niet de vermogensbeheerder.
Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van het bestuur
Sinds 1 juli 2021 geldt de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (WBTR) voor alle verenigingen en stichtingen. Vier onderdelen zijn van belang voor een bestuur dat belegt.
Iedere bestuurder moet zich richten naar het belang van de rechtspersoon. Bij onbehoorlijke taakvervulling kan een bestuurder persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn, en ook onbezoldigde bestuurders vallen daaronder; de vrijwillige aard van de functie sluit aansprakelijkheid niet uit. De drempel voor aansprakelijkheid ligt wel hoger dan vaak wordt gedacht: een tegenvallend beleggingsresultaat, of een inschatting die achteraf verkeerd blijkt, levert op zichzelf geen persoonlijke aansprakelijkheid op. Beslissend is of het bestuur zorgvuldig te werk is gegaan: een onderbouwd beleid vastgesteld, dat beleid gevolgd, de uitvoering gecontroleerd en alles vastgelegd.
Een bestuurder met een direct of indirect persoonlijk belang dat tegenstrijdig is aan het belang van de organisatie, mag niet deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming daarover. Deze regel geldt rechtstreeks sinds 1 juli 2021; statutaire bepalingen die ermee in strijd zijn, zijn sindsdien buiten werking. Dit speelt vaker dan besturen denken: een bestuurder die zelf klant is bij een van de beoordeelde vermogensbeheerders hoort buiten de besluitvorming over die partij te blijven, en dat moet in de notulen staan.
Daarnaast moeten de statuten een regeling voor belet en ontstentenis bevatten, in te voeren bij de eerstvolgende statutenwijziging.
Het meervoudig stemrecht is begrensd: één bestuurder mag niet meer stemmen uitbrengen dan alle overige bestuurders samen. Meervoudig stemrecht is daarmee niet verboden, en ook een doorslaggevende stem is niet per definitie ongeldig. Of een regeling de wettelijke grens overschrijdt, hangt af van de samenstelling van het bestuur en van het effect dat de regeling in de praktijk heeft. Voor bestaande statutaire regelingen gold een overgangstermijn van vijf jaar, die op 1 juli 2026 is verstreken. Een regeling die de grens overschrijdt, kan sindsdien niet meer worden toegepast, ook wanneer de statuten ongewijzigd zijn gebleven. Laat de statuten op dit punt controleren voordat een beleggingsbesluit met een krappe meerderheid valt.
Beoordeel tot slot of een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering nodig is, en of beleggingsbesluiten onder een bestaande polis vallen.
Rol van penningmeester of beleggingscommissie
In veel organisaties zit de kennis over beleggen bij één persoon. Dat is het grootste bestuurlijke risico bij beleggen: als de penningmeester vertrekt of ziek wordt, staat het bestuur met lege handen.
Een werkbare verdeling ziet er zo uit. Het bestuur stelt het beleggingsstatuut vast en wijzigt het, want dat is een bestuursbesluit en geen mandaat. De penningmeester of beleggingscommissie bewaakt de uitvoering, bereidt de evaluatie voor en signaleert afwijkingen. Een beleggingscommissie is zinvol zodra één persoon het werk niet meer alleen kan dragen; neem er bij voorkeur iemand van buiten het bestuur in op en leg vast dat de commissie adviseert en niet beslist.
Wat kan worden uitbesteed en wat niet
Uitbesteed kunnen worden: de selectie van beleggingen binnen de vastgestelde kaders, de uitvoering van transacties, het herbalanceren, de rapportage en de bewaring van de stukken. Niet uitbesteed kunnen worden: het doel van het vermogen, de risicobereidheid, de kaders in het beleggingsstatuut, de beoordeling of de beheerder daarbinnen is gebleven, en de verantwoording daarover aan de leden, de raad van toezicht of de Belastingdienst.
Een bestuur dat een vermogensbeheerder inschakelt, verkleint het risico op fouten in de uitvoering. Het krijgt daarmee niet de ruimte om zelf minder goed op te letten.
Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?
Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?
Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.
Hoeveel risico kan een stichting dragen?
Het gesprek over risico verzandt vaak in etiketten. Defensief, neutraal en offensief zeggen een bestuur weinig. De vraag die ertoe doet, is wat een daling betekent voor de bestedingen van volgend jaar.
Risicobereidheid versus risicodraagkracht
Risicobereidheid is wat het bestuur emotioneel aankan; risicodraagkracht is wat de organisatie financieel aankan. Bij stichtingen is de bereidheid bijna altijd lager dan de draagkracht, doordat bestuurders beheren wat anderen bijeen hebben gebracht. Die voorzichtigheid is begrijpelijk, maar zij is geen beleggingsbeleid: een te defensieve portefeuille verliest koopkracht wanneer de inflatie hoger ligt dan het rendement na kosten, en bij een doelstelling op lange termijn is uitholling even schadelijk als een koersdaling, alleen minder zichtbaar.
Draagkracht is wel te onderbouwen. Drie vragen bepalen haar. Kan de organisatie haar toegezegde bestedingen nakomen als de portefeuille drie jaar niets oplevert? Kan zij een jaar met een aanzienlijke daling doorstaan zonder gedwongen te verkopen? En wat gebeurt er met de exploitatie als het rendement structureel twee procentpunt lager uitvalt dan aangenomen?
Uitgaven, inflatie en reële instandhouding van het vermogen
Nominale instandhouding betekent dat het bedrag gelijk blijft; reële instandhouding dat de koopkracht gelijk blijft. Voor een stichting die over twintig jaar dezelfde hoeveelheid onderzoek, zorg of onderwijs wil financieren, telt alleen het tweede.
Het benodigde rendement bestaat daarmee uit drie componenten: het bestedingspercentage, de inflatie, en de totale kosten inclusief eventuele niet-verrekenbare btw. Die optelsom valt vaak hoger uit dan verwacht en dwingt tot een keuze: het bestedingspercentage omlaag, het risico omhoog, of bewust interen op het vermogen. Dat laatste is legitiem, mits het bestuur die keuze expliciet maakt in plaats van er jaar na jaar ongemerkt in te belanden.
Wat betekent een verlies van 10%, 20% of 30% in euro's?
Percentages zijn abstract, bedragen niet. Onderstaande tabel gaat uit van een belegd vermogen van € 900.000 en toont wat een daling kost, met de hersteltijd bij een verondersteld rendement van 5% per jaar zonder tussentijdse onttrekkingen.
Daling | Verlies in euro's | Resterend vermogen | Benodigd herstel | Hersteltijd bij 5% per jaar |
10% | € 90.000 | € 810.000 | 11,1% | Circa 2 jaar |
20% | € 180.000 | € 720.000 | 25,0% | Circa 4,5 jaar |
30% | € 270.000 | € 630.000 | 42,9% | Circa 7,5 jaar |
De laatste kolom is de ongemakkelijkste: bij een daling van 30% duurt het ruim zeven jaar voordat het vermogen weer op niveau is, en dan nog alleen als er intussen niets wordt onttrokken. Bedenk daarbij dat een defensief profiel minder bescherming biedt dan de naam suggereert; in 2022 daalden obligaties en aandelen tegelijk, waardoor ook defensief ingerichte portefeuilles een daling van meer dan tien procent lieten zien.
Bespreek deze tabel in een voltallige bestuursvergadering, voordat er wordt belegd. Een bestuur dat vooraf heeft uitgesproken een daling van € 180.000 te kunnen dragen, handelt in een slecht jaar anders dan een bestuur dat die vraag voor het eerst krijgt op het moment zelf.
Wat staat er in een beleggingsstatuut?
Een beleggingsstatuut is het document waarin het bestuur vastlegt waarom, waarin en binnen welke grenzen wordt belegd, en wie waarvoor verantwoordelijk is. Het is voor de meeste stichtingen en verenigingen niet wettelijk verplicht, maar wel het instrument waarmee een bestuur zijn zorgplicht invult en achteraf kan aantonen zorgvuldig te hebben gehandeld. Binnen de Protestantse Kerk in Nederland geldt voor gemeenten, diaconieën en protestantse stichtingen die onder de Richtlijn Beleggingen vallen een verplicht beleggingsstatuut, dat ter beoordeling wordt voorgelegd. Ook subsidieverstrekkers stellen soms vergelijkbare eisen.
Drie onderdelen verdienen extra aandacht, omdat ze in de praktijk het vaakst ontbreken. Het eerste is een maximaal aanvaardbare daling, uitgedrukt in euro's, met de afspraak wat er gebeurt als die wordt overschreden; een vooraf vastgelegde handelwijze voorkomt improvisatie op het slechtste moment.
Het tweede is de omgang met onttrekkingen: welke bedragen jaarlijks weggaan, op welke momenten, en waar ze vandaan komen. De eenvoudigste afspraak is dat de onttrekkingen van de komende twee jaar buiten de portefeuille staan. Voor ANBI's hoort hier het bestedingsbeleid bij: welk percentage jaarlijks wordt besteed, hoe dat is onderbouwd en wanneer het wordt herijkt.
Het derde is duurzaamheid. Een organisatie die beleggingen aanhoudt die haar eigen doelstelling ondermijnen, heeft een probleem zodra iemand de portefeuille naast de statuten legt. Leg vast welke sectoren worden uitgesloten, hoe met stemrecht op aandelen wordt omgegaan, en wie het beleid mag wijzigen.
Checklist beleggingsstatuut
Onderdeel | Vast te leggen | Veelgemaakte fout |
Doelstelling | Waarom er wordt belegd, in concrete termen | "Een zo hoog mogelijk rendement" als doel |
Horizon | Per vermogensdeel, gekoppeld aan de bestemming | Eén horizon voor het hele vermogen |
Onttrekkingen | Bedrag, moment en herkomst | Onttrekken uit de portefeuille op een vast moment in het jaar |
Risicogrenzen | Bandbreedtes per categorie, maximale positieweging | Alleen een profielnaam zonder onderliggende grenzen |
Maximale daling | Uitgedrukt in euro's, met afgesproken handelwijze | Ontbreekt volledig |
Toegestane instrumenten | Inclusief de expliciet verboden categorieën | Alleen benoemen wat mag, niet wat niet mag |
Liquiditeit | Minimaal aan te houden bedrag buiten de portefeuille | Buffer te laag of niet vastgelegd |
Duurzaamheid | Uitsluitingen, criteria, stembeleid | Beleid zonder toetsmoment |
Benchmark | Per vermogensdeel, rendement na kosten | Vergelijking met een niet-passende index |
Kosten | Alle lagen, inclusief btw-behandeling | Alleen de beheervergoeding |
Mandaat | Wat de beheerder zelfstandig mag, wat niet | Onbegrensd mandaat |
Evaluatie | Frequentie, criteria, beëindigingsgronden | Geen vast evaluatiemoment |
Vaststelling | Datum, besluitvormend orgaan, herzieningstermijn | Statuut van meer dan vijf jaar oud |
Herzie het statuut eens in de drie tot vijf jaar, en eerder wanneer de doelstelling, de omvang van het vermogen of de fiscale status is veranderd.
Hoe kiest een stichting een vermogensbeheerder?
De selectie is een bestuursbesluit en hoort als zodanig te worden voorbereid en vastgelegd. Een gestructureerd proces beschermt het bestuur ook achteraf.
Zelf uitvoeren of uitbesteden
Zelf uitvoeren is verdedigbaar wanneer het vermogen beperkt is, het beleid eenvoudig blijft, ten minste twee personen de portefeuille begrijpen, geen enkele bestuurder alleen kan handelen, en er een procedure ligt voor het geval de uitvoerende bestuurder wegvalt. Ontbreekt een van die voorwaarden, dan is zelf uitvoeren in de praktijk onverantwoord, hoe bekwaam de betrokken bestuurder ook is. Het risico zit niet in zijn kennis maar in zijn vervangbaarheid.
Uitbesteden ligt voor de hand zodra de gevolgen van een fout niet meer in verhouding staan tot de besparing, of zodra het bestuur wisselt zonder dat de kennis meeverhuist. De tussenvorm beleggingsadvies, waarbij het bestuur elke transactie goedkeurt, is voor stichtingen meestal ongelukkig, omdat zij besluitvaardigheid op korte termijn vraagt. Dat is nu juist wat een bestuur dat een paar keer per jaar vergadert niet kan leveren.
Waarop u de kandidaten beoordeelt
Toets eerst of een partij ervaring heeft met stichtingen en verenigingen. Dat is geen vanzelfsprekendheid: werken met een beleggingsstatuut, rapporteren aan een bestuur in plaats van aan één persoon en meedenken over het bestedingscriterium vragen andere routines dan het bedienen van een particuliere klant. Controleer daarnaast de vergunning in het openbare register van de AFM en leg die controle vast in de notulen.
Vraag de kosten in alle lagen uit, en expliciet of de vergoeding inclusief of exclusief btw is; de kostenlagen staan uitgewerkt in het artikel over de kosten van vermogensbeheer. Vraag rendementen op na alle kosten, over meerdere jaren, per risicoprofiel en met vermelding van de benchmark. De VBR-index biedt daarbij een onafhankelijk referentiepunt; voor besturen zijn vooral het defensieve en het neutrale profiel relevant, omdat die het dichtst bij het gebruikelijke mandaat liggen.
Wat een beheerder van het bestuur nodig heeft
Het aanmeldtraject bij een beheerder wordt vrijwel altijd onderschat en kost meer tijd dan besturen verwachten. Een vermogensbeheerder is op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) verplicht cliëntenonderzoek te doen. Voor een rechtspersoon betekent dat in de regel:
Een recent uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel.
De statuten, en bij een vereniging vaak ook het huishoudelijk reglement.
Een bestuursbesluit waaruit blijkt dat tot beleggen is besloten en wie bevoegd is te tekenen.
Identificatie van alle bestuurders en van de geregistreerde uiteindelijk belanghebbenden (UBO's). Stichtingen en verenigingen die onder de UBO-registratieplicht vallen, moeten hun UBO's opnemen in het register bij de Kamer van Koophandel. Kan op basis van vermogen, stemrecht of feitelijke zeggenschap geen UBO worden aangewezen, dan worden doorgaans de statutaire bestuurders als pseudo-UBO geregistreerd.
Inzicht in de herkomst van het vermogen, zeker bij een nalatenschap of een grote schenking.
Het beleggingsstatuut, als dat er is.
Zorg dat deze stukken compleet zijn voordat het traject start. Een onvolledig dossier kost gemakkelijk enkele weken.
Uitvraag, spreiding en evaluatie
Als praktische vuistregel loont een gestructureerde uitvraag, ook wel een request for proposal, vanaf een vermogen van ruwweg € 1 miljoen. Meerdere beheerders krijgen dan hetzelfde mandaat voorgelegd, opgesteld op basis van het beleggingsstatuut, zodat de voorstellen daadwerkelijk vergelijkbaar zijn. Wie elke partij zijn eigen verhaal laat vertellen, krijgt een reeks aantrekkelijke presentaties die op geen enkel punt naast elkaar te leggen zijn. Bestuurders die deze stap niet zelf willen zetten, kunnen zich laten begeleiden.
Bij grotere vermogens komt de vraag op of het beheer over twee partijen moet worden verdeeld. Dat beperkt de afhankelijkheid van één organisatie, maar kost meer doordat staffelkortingen minder gunstig uitvallen en het bestuur twee relaties moet onderhouden. Als praktische vuistregel, gebaseerd op wat wij in de begeleiding van besturen tegenkomen, wordt spreiding interessant vanaf ruwweg € 2 miljoen tot € 3 miljoen. Het is geen norm. Wie spreidt, geeft beide partijen hetzelfde mandaat en dezelfde benchmark mee, anders is vergelijking onmogelijk.
Leg tot slot vast dat de portefeuille minimaal jaarlijks voltallig wordt besproken en dat de beheerder daarbij aanwezig is. Beoordeel of de beheerder binnen de kaders van het statuut is gebleven, hoe het rendement na kosten zich tot de benchmark verhoudt, of de kosten conform afspraak zijn, en of de rapportage begrijpelijk is voor een bestuur zonder beleggingsachtergrond. Leg de uitkomst vast in de notulen. Juist die vastlegging blijkt te ontbreken op het moment dat er discussie ontstaat.
Belastingen bij beleggen door een stichting of vereniging
De fiscale positie van een beleggende stichting of vereniging is gunstiger dan veel bestuurders veronderstellen. Op een paar punten gaat het in de praktijk toch mis.
Wanneer is een stichting of vereniging vennootschapsbelastingplichtig?
Een stichting of vereniging is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting voor zover zij een onderneming drijft. Dat is het geval wanneer sprake is van een organisatie van kapitaal en arbeid die deelneemt aan het economische verkeer met het oogmerk winst te behalen, of wanneer in concurrentie wordt getreden met ondernemers. Dit geldt ongeacht wat er in de statuten staat: een winstverbod sluit belastingplicht niet uit, en ook ANBI's zijn belastingplichtig voor zover zij een onderneming drijven. Heeft een organisatie belaste en onbelaste activiteiten naast elkaar, dan is het raadzaam die administratief te scheiden.
Beleggen is normaal vermogensbeheer
Voor de beleggingsportefeuille is dit het beslissende punt. Het passief aanhouden en beheren van een portefeuille geldt als normaal vermogensbeheer en vormt geen onderneming. Het rendement op een zelfstandig, passief aangehouden portefeuille valt daardoor in beginsel buiten de heffing van vennootschapsbelasting. De belastingplicht wordt wel per activiteit beoordeeld: drijft de organisatie daarnaast wél een onderneming, dan moet worden bekeken of de beleggingen tot die ondernemingssfeer behoren, en kan het rendement erop alsnog in de heffing vallen.
Dat verandert ook wanneer de activiteiten het karakter van normaal vermogensbeheer overstijgen. De maatstaf uit de rechtspraak is of de verrichte arbeid naar aard en omvang onmiskenbaar tot doel heeft een hoger rendement te behalen dan bij normaal vermogensbeheer te verwachten valt. Die grens komt in beeld bij frequent en speculatief handelen, bij vastgoedexploitatie waarbij het bestuur zelf substantieel werk verricht, bij beleggen met geleend geld, en bij het verrichten van beleggingsdiensten voor derden. Voor een stichting die een gespreide portefeuille bij een vermogensbeheerder onderbrengt en jaarlijks een deel onttrekt, is die grens in de praktijk niet in zicht. Bij twijfel, en zeker wanneer vastgoed deel uitmaakt van het vermogen, is het verstandig dit aan een fiscalist voor te leggen.
De vrijstelling van € 15.000 en € 75.000
Is er wel sprake van een onderneming, dan bestaat er nog een subjectieve vrijstelling in artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De winst is vrijgesteld wanneer die in een jaar niet hoger is dan € 15.000, of wanneer de winst van dat jaar samen met die van de vier voorafgaande jaren niet hoger is dan € 75.000.
Winst uit verliesjaren wordt bij de berekening van de vijfjaarstermijn op nihil gesteld, zodat verliezen de ruimte onder de tweede grens niet vergroten. De grens van € 75.000 geldt ook voor organisaties die nog geen vijf jaar bestaan; de Hoge Raad bevestigde in 2022 dat zij niet naar rato van het aantal bestaansjaren wordt toegepast. De vrijstelling wordt automatisch toegepast, wat leidt tot een nihilaanslag.
Soms is het gunstiger níet vrijgesteld te zijn, bijvoorbeeld om een verlies te kunnen verrekenen. Die keuze geldt voor vijf jaar en moet schriftelijk aan het belastingkantoor worden gemeld, voordat de aangifte over het eerste jaar is afgehandeld. Wie een uitnodiging tot het doen van aangifte ontvangt, moet aangifte doen, ook wanneer het bestuur meent dat er geen belastingplicht is.
Geen box 3 voor een rechtspersoon
Een veelgemaakte denkfout is dat het vermogen van een stichting of vereniging in box 3 wordt belast. Box 3 is onderdeel van de inkomstenbelasting en geldt uitsluitend voor natuurlijke personen. Waar een particuliere belegger jaarlijks wordt belast volgens de systematiek van de vermogensbelasting in box 3, blijft het beleggingsrendement van een stichting die geen onderneming drijft in beginsel onbelast op het niveau van de rechtspersoon.
Daaruit volgt echter niet dat het onderbrengen van privévermogen in een stichting fiscaal voordelig is. Voor een stichting die een particulier belang dient, zoals een familiestichting, geldt het regime van het afgezonderd particulier vermogen. De bezittingen en schulden worden dan fiscaal toegerekend aan degene die het vermogen heeft ingebracht, en na diens overlijden aan de erfgenamen. Het vermogen komt daarmee in beginsel gewoon weer in box 3 terecht, ondanks de tussenkomst van de rechtspersoon. ANBI's en SBBI's vallen normaal gesproken niet onder dit regime. Het afzonderen van privévermogen in een stichting is dus geen route om box 3 te vermijden, maar een keuze met gevolgen voor zeggenschap en bestemming die om fiscaal advies vraagt; de afwegingen komen aan de orde in het artikel over estate planning.
Btw over de beheervergoeding
Individueel vermogensbeheer is in beginsel een btw-belaste dienst, waarover 21% verschuldigd is. Er bestaat een vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen. De Hoge Raad oordeelde op 4 december 2020 dat die vrijstelling ruimer kan worden toegepast dan eerder werd aangenomen: wanneer vermogens van individuele cliënten op basis van beleggingsprofielen worden samengevoegd en gezamenlijk belegd, kan sprake zijn van een collectief fonds waarvoor de vrijstelling geldt. Of zij in een concreet geval opgaat, is geen keuze van de beheerder maar volgt uit inhoudelijke voorwaarden. Er moeten meerdere deelnemers zijn, hun vermogens moeten worden samengevoegd om gezamenlijk te worden belegd, er moet sprake zijn van risicospreiding, en de deelnemers moeten het beleggingsrisico zelf dragen. De Belastingdienst heeft die voorwaarden in 2025 nader uiteengezet.
Voor een stichting of vereniging is dat verschil van direct belang. Anders dan een btw-plichtige onderneming kan een organisatie zonder btw-belaste activiteiten de in rekening gebrachte btw doorgaans niet verrekenen. De btw is dan geen tussenpost maar een definitieve kostenpost, die de beheervergoeding effectief met ruim een vijfde verhoogt. Neem daarom in de uitvraag twee vragen op: wordt de vergoeding inclusief of exclusief btw gepresenteerd, en op welke grond gaat de beheerder ervan uit dat de vrijstelling wel of niet van toepassing is? Het verschil tussen twee aanbiedingen die op papier even duur lijken, kan hierin volledig schuilgaan.
Tot slot: schenkingen en nalatenschappen aan een ANBI zijn vrijgesteld van schenk- en erfbelasting, voor zover de verkrijging wordt gebruikt voor het algemeen belang. Voor een stichting zonder ANBI- of SBBI-status geldt die vrijstelling niet en wordt een verkrijging belast tegen het tarief voor derden. Voor instellingen die legaten ontvangen, is het behoud van de ANBI-status daarmee niet alleen een kwestie van aftrekbaarheid voor de gever, maar ook van wat er feitelijk binnenkomt.
Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?
Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?
Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.
Rekenvoorbeeld: een stichtingsvermogen van € 1 miljoen
Neem een fictieve ANBI met een vermogen van € 1.000.000 uit een nalatenschap, jaarlijkse bestedingen van € 40.000 en een eigen werkorganisatie die € 12.000 per jaar kost.
Stap 1: Verdeel het vermogen naar bestemming
Vermogensdeel | Bedrag | Onderbouwing |
Liquiditeit voor bestedingen komende twee jaar | € 80.000 | Twee maal de jaarlijkse besteding van € 40.000 |
Continuïteitsreserve | € 18.000 | Anderhalf maal het jaarlijkse kostenniveau van € 12.000 |
Belegbaar vermogen | € 902.000 | Restant, zonder bestemming op korte termijn |
Totaal | € 1.000.000 |
In de stappen hierna is voor de leesbaarheid gerekend met een afgerond belegbaar vermogen van € 900.000.
Stap 2: Bereken het benodigde rendement
Component | Bedrag per jaar | Toelichting |
Besteding aan de doelstelling | € 40.000 | 4% van het totale vermogen |
Instandhouding koopkracht | € 18.000 | 2% inflatie over het belegde vermogen van € 900.000 |
Kosten van beleggen | € 9.000 | 1% all-in over € 900.000, inclusief niet-verrekenbare btw |
Benodigd bruto rendement | € 67.000 | 7,4% over het belegde vermogen van € 900.000 |
Stap 3: Toets of dat realistisch is
Bij deze aannames is circa 7,4% bruto per jaar nodig om zowel de besteding te dekken als de koopkracht te behouden. Dat is een hoge eis voor een defensief of neutraal profiel, en dat zijn de profielen die in de praktijk het beste aansluiten bij de doelstelling en de bestuurlijke situatie van veel stichtingen.
Of 4% houdbaar is, hangt af van meer dan deze som: van het werkelijke rendement en de beweeglijkheid daarvan, van de horizon, van toekomstige giften of legaten, en van de vraag of het vermogen werkelijk eeuwigdurend reëel in stand moet blijven. In dit rekenvoorbeeld staat de besteding onder druk. Er zijn drie uitwegen:
Keuze | Gevolg | Beoordeling |
Besteding verlagen naar € 25.000 per jaar | Benodigd rendement daalt naar circa 5,8% | Ambitieus bij een defensief profiel, haalbaar bij een neutraal profiel |
Risico verhogen naar een offensief profiel | Hoger verwacht rendement, maar een slecht jaar kost al snel € 200.000 of meer | Past niet bij de meeste doelstellingen en bij de bestuurlijke draagkracht |
Bewust interen op het vermogen | Besteding blijft € 40.000, het vermogen daalt in reële termen | Legitiem, mits het bestuur dit expliciet besluit en de termijn berekent |
Stap 4: Leg het maximale verlies vast
Een daling van 20% betekent bij € 900.000 een verlies van € 180.000. Het resterende vermogen van € 720.000 kan bij een besteding van € 25.000 per jaar nog aan de verplichtingen voldoen, maar herstel duurt bij 5% rendement ruim vier jaar zonder onttrekkingen, en aanzienlijk langer met onttrekkingen. Dat bedrag hoort te vallen in de bestuursvergadering die aan het beleggen voorafgaat.
De bredere les is niet dat 4% te hoog is, maar dat de som expliciet gemaakt moet worden. In onze ervaring komt een bestuur dat besteding, inflatie en kosten optelt bij een defensief tot neutraal profiel eerder uit op 2 tot 3% dan op de gebruikelijke 4%. Dat is een beleidsmatige vuistregel en geen norm. Fondsen die daar structureel boven zitten, teren in reële termen in. Dat mag, maar het hoort een besluit te zijn en geen uitkomst.
Veelgestelde vragen
Mag een stichting aandelen kopen?
Ja, tenzij de statuten dat verbieden. Wel moet het bestuur kunnen onderbouwen dat de verdeling past bij het doel en de horizon van het vermogen, en die afweging vastleggen in het beleggingsstatuut en in de notulen. Voor middelen die binnen enkele jaren nodig zijn, zijn aandelen niet passend.
Is een beleggingsstatuut verplicht?
Voor de meeste stichtingen en verenigingen niet; er bestaat geen algemene wettelijke verplichting. Binnen de Protestantse Kerk in Nederland moeten gemeenten, diaconieën en protestantse stichtingen die onder de Richtlijn Beleggingen vallen wel een actueel beleggingsstatuut hebben en laten beoordelen, en subsidieverstrekkers stellen soms vergelijkbare eisen. Los daarvan is het statuut het belangrijkste middel waarmee een bestuur aantoont zorgvuldig te hebben gehandeld.
Hoeveel eigen vermogen mag een stichting of vereniging hebben?
Zonder ANBI-status geldt geen bovengrens. Voor een ANBI wel: die mag niet meer vermogen aanhouden dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden. Toegestaan zijn onder meer drie reserves. Een continuïteitsreserve, waarvoor anderhalf maal het gemiddelde kostenniveau van de eigen werkorganisatie over de voorgaande drie jaren als vuistregel geldt. Een reserve voor voorziene werkzaamheden, onderbouwd met concrete projecten en bedragen. En stamvermogen dat op grond van een schenking of nalatenschap in stand moet blijven. Een algemene reserve zonder nadere toelichting is in beginsel niet toegestaan.
Mag een ANBI vermogen beleggen?
Ja, en voor vermogensfondsen is het zelfs noodzakelijk om de doelstelling te kunnen financieren. De beperking zit niet in het beleggen maar in de besteding. Stamvermogen dat in stand moet blijven, hoeft niet te worden aangetast, maar het rendement daarop moet in beginsel wel aan de doelstelling worden besteed, na aftrek van onder meer beheerkosten, toegestane indexering en geoorloofde reservevorming. Dat geldt voor gerealiseerd en ongerealiseerd rendement. Alleen wanneer de instandhoudingsverplichting op het vermogensbestanddeel zelf ziet, kan ongerealiseerde waardestijging buiten de bestedingsplicht blijven.
Moet een stichting vennootschapsbelasting betalen over beleggingsrendement?
In beginsel niet. Een stichting of vereniging is alleen belastingplichtig voor zover zij een onderneming drijft, en het passief aanhouden van een beleggingsportefeuille geldt als normaal vermogensbeheer. De beoordeling vindt per activiteit plaats: drijft de organisatie daarnaast wel een onderneming, dan moet worden bekeken of de beleggingen tot die ondernemingssfeer behoren. Dat wordt ook anders wanneer de activiteiten normaal vermogensbeheer overstijgen, bijvoorbeeld bij speculatief handelen of bij vastgoedexploitatie waarbij het bestuur zelf substantieel werk verricht. Is er sprake van een onderneming, dan geldt nog een vrijstelling bij een winst tot € 15.000 per jaar of tot € 75.000 over vijf jaar.
Wie is aansprakelijk als de beleggingen verlies maken?
Verlies op zichzelf leidt niet tot aansprakelijkheid; beleggen brengt risico met zich mee en dat is bekend. Aansprakelijkheid ontstaat bij onbehoorlijke taakvervulling: heeft het bestuur een onderbouwd beleid vastgesteld, is dat gevolgd, is de uitvoering gecontroleerd en is alles vastgelegd? Onder de WBTR kan een bestuurder persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn, ook wanneer hij onbezoldigd is. Een vastgesteld beleggingsstatuut, aantoonbare naleving daarvan en notulen van de periodieke evaluatie vormen de beste bescherming.
Welk rendement mag een stichting verwachten?
Zinvoller dan een verwachting is de omgekeerde berekening: tel het bestedingspercentage, de inflatie en de totale kosten op, en toets of die som past bij het profiel dat bij de organisatie past. Als beleidsmatige vuistregel komt die som bij een defensief tot neutraal profiel eerder uit op een besteding van 2 tot 3% van het vermogen dan op de 4% die in de sector gebruikelijk is. De netto rendementen per profiel staan in de VBR-index.
door Jos Leeser
Als voormalig bankier, vermogensbeheerder, consultant en klachtenbehandelaar kent Jos Leeser de ins en outs van beleggen en vermogensbeheer. Jos is partner bij Vermogensbeheer.nl en begeleidt vermogende particulieren, ondernemers, stichtingen en instellingen die op zoek zijn naar de juiste vermogensbeheerder.
Gerelateerd:
- Wel of geen aandelenbubbel, hou de focus op uw plan - 6 mei 2021
- Duurzaam vermogensbeheer: wat het inhoudt en waar u op moet letten - 19 augustus 2026
- Private banking overwegen: wanneer is het zinvol en wat kost het? - 22 juli 2026
Op zoek naar de beste vermogensbeheerder?
Bent u op zoek naar de voor u beste vermogensbeheerder?
Vraag dan gratis en geheel vrijblijvend een SelectieRapport aan. Per e-mail ontvangt u een selectie van goede vermogensbeheerders die het beste passen bij uw persoonlijke situatie, wensen en voorkeuren.